BZO19Ijukehudig

BewustZijn Online

Juke Hudig

Ik heb in mijn leven veel engelen getekend. Als helpers in mijn dromen, als troosters bij een diep verdriet of een groot verlies. Later kwamen zij op mijn weg door heilige teksten die ik in beeld bracht. In 2008 kreeg ik een engelenopdracht voor het stiltecentrum van het ziekenhuis in Tiel. Thema: Johannes 5:4 - ‘een engel van de Heer daalde af en bracht het water in beroering’. Het levende water! Engelen geven altijd boodschappen door vanuit een andere dimensie. Er komt steeds meer licht naar buiten, de weg wordt vrijer. Oude thema’s beleef ik opnieuw en dieper; zij worden aan

het licht gebracht.’

www.jukehudig.nl

____________________________________

Door het donker naar het licht | door Onno van Lith (maart 2009)

 

Zij beschouwt de Franse schilder Odilon Redon als haar geestelijk vader: ‘Hij hield van het mysterie. Vroeger hield ik bijna uitsluitend van de wereld achter de gesloten ogen; nu zie ik het mysterie juist ook in het daglicht. Er ontvouwt zich steeds meer een vormentaal die enerzijds met de herinnering te maken heeft, anderzijds met dat wat zich in het heden afspeelt: een donkere en een lichte kant, een vertaling van de ziel. De kleuren zetten de vorm in werking.’

Het thema ’De zoektocht van de mens’ komt in al haar werk van de laatste jaren terug. Natuurlijk in ‘Dante’s Divina Commedia’, het lijvige boekwerk met 111 pastels dat verscheen in 2001, maar ook in ‘De profeet’ en het werk waarmee zij momenteel bezig is.

 

Juke Hudig (1945): ‘Dante heeft mijn leven veranderd. In 1997 ben ik hier in mijn keuken met zeven mensen de Divina Commedia gaan lezen. In augustus belde een vriendin die het lezen zou begeleiden en in januari begonnen we. In de tussentijd maakte een enorme opwinding zich van mij meester. Ik wist toen niet wat dat betekende, maar later zag ik dat ik voorvoelde dat er iets groots stond te gebeuren. Ik wist niets van Dante, behalve dat hij over de hel en het paradijs had geschreven. Ik was er nieuwsgierig naar: hoe ver reikt het; waar gaat het heen? En dan is er nog de overgave. Dante werd mijn gids en metgezel.

We gingen lezen en de dag daarna ben ik gaan tekenen. Duidelijk was dat ik het verhaal niet wilde illustreren. Ik wilde alleen tekenen wat mij diep raakte, die prachtige taal. Achteraf zeiden Dante-fanaten: ‘Wat heb je nu toch getekend?’ Dan bleek het een voetnoot die ik oneindig mooi vond…’

 

‘Toen ik eraan begon, wist ik helemaal niet waar ik zou eindigen en hoe lang het zou duren, geen flauw benul. In het boek dat na drie jaar verscheen, is alleen de tekst opgenomen waar de tekeningen over gaan, met daarnaast de Italiaanse tekst. Verder heb ik zelf de doorlopende tekst van het verhaal geschreven, in compacte vorm zodat je snapt waar het over gaat. Het boek is míjn versie van de Divina Commedia geworden in 111 beelden. Het was een soort wereldreis waarbij ik buiten alle perken ging. Een zoektocht van de ziel naar God. Dat besef je niet als je aan het tekenen bent. Je wordt meegesleurd en moet je als het ware een weg hakken door een oerwoud. Steeds verder, verder dan je jezelf kent, anders ben je jezelf aan het herhalen.’

 

Je gaat zelf, al tekenend die helletocht, over de louteringsberg op weg naar het licht?

‘Die ga je in je eentje, het is een eenzame weg. In de drie jaar dat ik aan de Divina Commedia werkte, heb ik als een kluizenaar geleefd. Maar dat is noodzakelijk, de rest interesseerde me ook niet zo. De hel is voor ons eigenlijk veel bekender dan het paradijs. Je hoeft de televisie maar aan te zetten en we kunnen het zien. Dat is een redelijk bekend terrein, gek genoeg. Wat het paradijs betreft kom je in regionen terecht waar je zelf nooit bent geweest. Je leest het en kunt er misschien naar gissen of het verlangen ernaar is zo groot dat je je enigszins in kunt inleven, maar dan moet je het ook nog tekenen. Af en toe voelde ik me in de hel beland als ik het paradijs tekenende… Het is zo moeilijk omdat het eigenlijk niet in beeld te brengen is. Dat zegt Dante ook als hij schrijft: ‘Ik stamel als een kind, ik weet niet hoe ik het moet zeggen.’ Voor mij is hij een ziener die het paradijs ook werkelijk beleefd heeft, anders kun je het niet zo beschrijven zoals hij doet. De meeste mensen die de Divina Commedia beginnen te lezen komen trouwens niet verder dan de hel. Die wordt vaak lachwekkend gevonden, absurdistisch, wat hij soms ook is in al zijn walgelijkheid en weerzinwekkendheid .’

 

‘Na de hel, die zo groot is dat je je er nauwelijks toe kunt verhouden, kom je op de louteringsberg. Hier komt stap voor stap het besef dat je er in je gewone leven middenin zit. Het is een gebied dat veel meer aan je trekt, van je wil. Het heeft te maken met grote gewetensvragen. Je komt de zeven hoofdzonden tegen, de psyche van de mens. Hier ga je bij jezelf te rade: waar zit ik op dat vlak in mijn leven? Als je vreselijke dingen op de televisie ziet, kun je denken dat het ver van je bed is, te groot om wat aan te kunnen doen. Maar op de louteringsberg daarentegen word je tot de orde geroepen, bij je kraag gepakt en vraag je je af waar je zit ten aanzien van al die thema’s als hoogmoed, begeerte, jaloezie en woede. De louteringsberg is meer aards. Je hebt daar met het principe van dag en nacht te maken. ‘s Nachts moet je slapen op de berg van de zonde, en als je toch gaat stijgen kun je struikelen en weer in de hel vallen. Je moet dus overdag klimmen en ‘s nacht slapen, net als in het dagelijks leven. Een verschil is dat als wij in ons leven een berg beklimmen, het zwaarder wordt naarmate je hoger komt. Bij Dante is dat omgekeerd. Naarmate je hoger stijgt, dus verinnerlijkt, kom je juist meer in het gebied van de genade terecht. Je wordt voortgestuwd en je pas wordt steeds lichter. Het is ongelooflijk prachtig beschreven. Als ik één boek mee mocht nemen naar een eilandje, werd het de Divina Commedia.’

 

Ga je je gaandeweg verheugen op de aankomst in het paradijs?

‘Ja en nee. Het is net als wanneer je letterlijk een berg beklimt, dan ga je je ook niet verheugen op de laatste honderd meter. Maar het verlangen naar het paradijs is groot. Werken aan zo’n verhaal is eigenlijk een meditatievorm waarin je in het hier en nu leeft. Je kunt niet anders dan het huidige moment weergeven. Ik wist wel dat het steeds lichter zou worden, maar ook moeilijker om te tekenen. Hoe ziet het paradijs eruit en hoe laat je dat in godsnaam zien? Met deze gedachte kom je dan weer terug in de stof. Letterlijk stond ik hier trouwens ook stof te happen. Met de donkere tekeningen van de hel en de louteringsberg werd alles zwart van het krijtstof. Er moest dan elke avond geboend worden.’

 

Vroeg je je na de Divina Commedia, waarin de meest wezenlijke menselijke thema’s aan de orde zijn, niet af wat je daarna nog kon doen?

‘Ik heb me inderdaad een tijdlang afgevraagd of er nog leven na Dante was. Het had mij zo ontzettend geraakt. Ik was helemaal doordrenkt met de Divina Commedia. Je hebt het gevoel dat alles wordt gezegd in dat boek. Maar Dante is het leven zelf! Toen ik mij dit realiseerde, werd ik ook weer gedwongen om het leven zélf te gaan leven. Alles wat je meemaakt in je leven, kun je wel ergens plaatsen in die Divina Commedia.’

 

Toen kwamen ‘De dwerg’, ‘Christoforus, de legende van een heilige’ en vervolgens ‘De profeet’.

‘Het gedicht ‘De profeet’ van Alexander Poesjkin kende ik al lang. Het raakte mij diep. Na Dante durfde ik er nog niet aan te beginnen, het was gewoon te moeilijk. ‘De dwerg’ kwam ná Dante en daarna ‘Christoforus’. Beide waren uitstel om ‘De profeet’ nog niet te hoeven tekenen! Het leek mij onwaarschijnlijk moeilijk. Ik dacht dat het kwam doordat het over een serafijn gaat, de hoogste engel in de hiërarchie, de vuurengel zonder lichaam met alleen maar zes vleugels. Dat voerde ik aan als excuus om te wachten. Maar ik weet nu dat er altijd bepaalde momenten zijn waarop je iets oppakt. Je kunt nooit iets voortijdig maken. Je doet het als je er aan toe bent.’

 

‘Christoforus is een heel ander verhaal dan Dante. Dante is lyrisch, Italiaans; Christoforus sober, eenvoudig, een middeleeuws verhaal en eigenlijk héél dichtbij. Het is Dante op z’n Nederlands… Halverwege het proces moest ik een half jaar wachten voor ik weer verder kon. Ik wist dat ik de strijd moest aangaan met de golven waarin de monsters huisden, de doodsstrijd. Daar was ik bang voor; ik ben nou eenmaal een bangerd. Daarom doe ik dit waarschijnlijk ook, om via het tekenen mijn angsten te bezweren en zo iedere keer weer een stapje verder te gaan. Het is één groot louterings- en omkeringsproces. Je wordt je dingen bewust en zodra je dat punt hebt bereikt, wil je er iets aan doen.’

 

‘Christoforus was een beeld dat ik ver voor Dante al met me meedroeg. Iets wat ik zó mooi vond. Er zijn veel beelden en fresco’s van Christoforus; de indrukwekkende gestalte van de reus met het kind op zijn schouder. Ook dit verhaal kende ik niet, alleen het beeld en ik wist dat ik het ooit wilde tekenen. Christoforus is voor mij, net als Dante en ‘De profeet’, een symbool voor de universele mens.’

 

En toen tóch ‘De profeet’…

‘Het is een gedicht dat vertelt over een serafijn (engel van hoge rang, red.) die een dichter, die uitgedroogd door de woestijn zwerft, op hardhandige wijze de weg verspert. Hij wordt gegeseld en alle zintuigen worden door deze engel met zijn harde vleugels als het ware afgesneden. De serafijn zorgt er als godsinstrument voor dat je gelouterd wordt. Uiteindelijk wordt het hart van de dichter uit zijn borst gesneden, om daardoor als nieuw mens herboren te worden. Ik maakte dat toen ook door in mijn eigen leven. Ik ga een intensieve meditatieweg onder leiding van Daniël van Egmond, godsdienstfilosoof. Het is een contemplatieve weg waarin je jezelf tegenkomt en laat omvormen.

Als je engelen tekent, en zo langzamerhand heb ik er heel veel getekend, moet je een geleider zijn. Een brug tussen hemel en aarde, een hemelladder. Ik werk me als het ware tekenend door de stof. Zo louter je en op een gegeven moment komt de genade. Er gebeurt iets wat je niet zelf gedaan hebt, het komt door je heen. Je hoopt altijd dat het gebeurt, maar nooit weet je het zeker. In het werkproces kom je alles tegen. Soms loop je vast en blijk je ineens een nieuwe vormtaal te hebben ontwikkeld bij een tekst. Dat had ik bij ‘De profeet’. Daar ben ik zó anders gaan tekenen dat ik dacht: jee, ik zit op de verkeerde weg, ik herken mijn eigen handschrift niet meer. Dat was heel griezelig, maar ook absoluut noodzakelijk, omdat dit verhaal gaat om een omvormingsweg, een initiatieweg. Eigenlijk zijn alle verhalen waar ik mee werk omkeringsverhalen, waarbij je binnenste naar buiten gekeerd wordt.’

 

Je gaat helemaal op in je werk, hoe verhoudt zich dat tot een dagelijks leven?

‘Het begint met mijn gang naar het atelier. Ik moet de oversteek dan maken. Het zijn maar drie stappen van mijn huis naar mijn atelier, maar het ís een oversteek. Ik pak de draad dan weer op. Het is de adem van het verhaal waarin je meegaat. Het grappige is dat als je eenmaal begonnen bent en het is heel dichtbij, je ook gewoon andere dingen kunt doen, tussendoor. Toch blijf je je er voortdurend bewust van dat je met heel je wezen in dat verhaal zit. Er is een enorm verlangen, een passie om door te gaan, het voort te zetten. ’s Avonds ophouden is vreselijk. Ik werk namelijk alleen met daglicht. Je voelt dan op een gegeven moment dat het licht in golven afneemt. Ze noemen het wel ‘het uur van de wolf’. De schemerwereld is dan zo intens aanwezig dat je daarin dingen durft te doen die je met vol daglicht niet zou aangaan. Het is een gevecht met het licht waarin elke seconde kostbaar is. Op het moment dat ik écht op moet houden en het niet lukt, kan ik heel slecht de nacht in gaan. Maar dan komt er het moment dat het klaar is. Het is dan of hemel en aarde samensmelten. Je voelt het in je buik en in je hart, vooral in je buik. Dan weet je zonder er over na te hoeven denken dat het klaar is. Er is een eenheid bereikt met dat wat in jouw vermogen ligt.’

 

Verandert je stijl na zo’n diepgaand werk?

‘Je stijl past zich aan aan het verhaal. Als je ‘Christoforus’ ziet is dat heel naturalistisch. Bij Dante had ik het gevoel dat alle stijlen die ik in mijn leven ontwikkeld heb, zichtbaar werden. ‘De profeet’ vroeg een andere aanpak. Ik schrok van mijn eigen werk, ook door het thema hoor. Ik heb toen een grote sprong gemaakt en wist niet waar het heen ging.’

 

Je tekent niet alleen, maar geeft ook lezingen.

‘De 111 tekeningen van de Divina Commedia werden geëxposeerd in de grote kerk in Monnikendam en mij werd gevraagd daar rondleidingen te geven. Soms duurden die wel anderhalf uur. Hieruit vloeiden de

lezingen voort over met name Dantes Divina Commedia en Christoforus. Ik had nooit kunnen bedenken dat ik dit zou gaan doen. Het leek mij het allerengste van alles om voor een groep mensen te gaan staan spreken, maar nu vind ik het fantastisch om te doen. Ik ben heel dankbaar dat dit op mijn weg is gekomen.’

 

‘Ik heb het afgelopen jaar erg veel geëxposeerd. Dat heeft me uitgeput. Ik werd uiteindelijk ziek en het duurde drie maanden voor ik weer helemaal terug kon gaan naar het nulpunt, wat nodig is voor het maken van een nieuwe serie. Het in de wereld zetten van mijn werk door die lezingen en exposities is natuurlijk belangrijk, maar je kunt het ook overdrijven en jezelf zo weggeven dat je steeds banger wordt om weer aan het werk te gaan, de eenzaamheid in. Altijd komt de twijfel opnieuw naar boven drijven: kan ik het nog wel? Kan ik me weer zo verbinden met een tekst? Kan ik overbrengen wat ik wil zeggen?’

 

Jouw weg, door het duister naar het licht, is dat altijd je thema geweest?

‘Vroeger deed ik maar wat, dan liet ik het een beetje opdoemen en kwamen er vanzelf beelden tevoorschijn. In de zomertijd werkte ik buiten. Ik tekende tuinen, vaak in opdracht. ’s Winters trok ik mij terug in mijn atelier en tekende van alles, van circussen tot boeddha’s. Dat doe ik nu niet meer, dat is klaar. Nu ik alleen nog maar met verhalen bezig ben, moet ik het beeld zo sluitend en treffend maken dat het over de taal heen gelegd kan worden, dat het de taal kan drágen. Je hebt te maken met andermans taalgegeven en het is een hele worsteling daar zo dicht mogelijk bij te komen, het te vertalen in een beeld. Het zijn eigenlijk allemaal heilige teksten waarmee ik werk. Daar word je ook door gedragen. Ik begon destijds met ‘De kerstroos’ van Selma Lagerlöf, het eerste verhaal dat ik naar tekst heb getekend, in zwart-wit. In dat verhaal heb je ook te maken met helle- en hemelkrachten. Het tweede dat ik maakte naar aanleiding van een verhaal was in 1991, het Oudtestamentische boek Job. Ik sloeg toen voor het eerst de Bijbel bewust op. Ik heb achttien tekeningen gemaakt. Ook hier had ik te maken met het omkeringsproces: Job bevecht zijn kleine ik, zijn ego, om zich uiteindelijk over te geven aan het goddelijke mysterie.’

 

‘Op een zeker moment kwam Christus in beeld, uit de hemel gevallen. Het was een grauwe dag. Ik tekende een bos en ineens hing hij daar, aan een boom. In zijn houding vormde hij zelf het kruis. Ik vond het doodeng en weerzinwekkend en dacht: wat overkomt mij? Christus associeerde ik met lijden, bloed, doornenkroon, helemaal niet met liefde en het hart. Ik heb toen een jaar lang crucifixen getekend uit wanhoop en engigheid, omdat ik niet wist wat ik daarmee aan moest. Ik dacht dat het vooral iets met mijzelf te maken had, mijn eigen lichaamsbewustzijn. Het horizontale en het verticale en de kruising daarvan in het hart. Dat begreep ik toen heel goed, maar ik kon het nog niet beleven zoals nu. Het is nog maar sinds kort dat ik Christus in mezelf kan toelaten. God was er altijd, is er altijd geweest, liefdevol, maar ook ver en abstract. Bij Job kreeg ik voor het eerst te maken met de vreeswekkende God, met het gevecht met God, waardoor je een relatie met hem aangaat. Toch had dat voor mij niets met Christus te maken. Vroeger werd ik geplaagd door veel duisternis in mijn leven, door grote angsten. Er gebeurde ook altijd van allerlei duisters in wat ik ervoer en zag als klein kind. Ik heb veel geslaapwandeld en nachtmerries gehad. Het krioelde om mij heen van angsten en donkerte. Daarom was ik zo blij met de ontdekking van Boeddha, zijn zachtheid, het hart, de troost. Ik verdiepte me ook in kruiden, de natuur als heelmeester, heb veel gemediteerd en gidsen gehad. Het waren allemaal stappen op mijn weg; prachtig om allemaal te mogen doen. Voor mij ligt het accent op de christelijke mystiek, maar ach, je kunt het allemaal naast elkaar leggen. Door de tijd heen bleef de angst en was ik altijd bezig die weg te tekenen. Met de verhalen die de afgelopen jaren kwamen, heb ik dit verder kunnen ontwikkelen. Door het te leven, door de weg te gaan die ik ga, kan er ruimte komen, kan het steeds stiller worden. En wat ik in die stilte doe, is steeds maar alles laten komen, door het duister, op weg naar het licht.’

 

Juke’s nieuwe werk gaat natuurlijk ook over de zoektocht van de mens, de zoektocht naar het hart. Opnieuw een verlossingsverhaal, door het duister op weg naar het licht. Het duister treedt inmiddels ook in haar atelier in, de pastels die Juke liet zien worden weer opgeborgen.

 

Het geïllustreerde interview vind je terug in het boek BewustZijnsKunstenaars (deel 1) 2014

____________________________________

Naar het interviewoverzicht