BZO19Ijankortie

BewustZijn Online

Jan Kortie

Jan Kortie (1953) is stembevrijder. Hij helpt mensen op verschillende manieren hun stem te gebruiken, te zingen en organiseert allerlei workshops en mantra-zing-avonden. Bovendien verzorgt hij een opleiding tot stembevrijder. Kijk op www.jankortie.nl voor een compleet overzicht. Het boek ‘Jouw ziel wil zingen’ dat Kortie schreef en zijn mantra-cd ‘Noyana’ met mooi uitgevoerd boekje, zijn ook via die website te verkrijgen.

www.jankortie.nl

Zing! Als ode aan de vreugde | door Alex Dijk (2012)

 

Wat is er lekkerder dan hardop je stem gebruiken, om vrijuit te zingen wat er in je leeft? Je eigen geluid te laten horen, zonder gène, zonder restricties? Is dat niet iets dat we stiekem allemaal willen? ‘Ja,’ is het antwoord van Jan Kortie: ‘En niet alleen wíl iedereen het, iedereen kán het!’

 

‘Zingen is een natuurlijke manier om naar buiten te brengen wie je bent en wat er in je leeft. Iedereen kan het en in wezen ontrekt het zich aan normen en opvattingen van hoe goed de één het kan in vergelijking met de ander. Je hoeft er niet je best voor te doen. Door te zingen laat je zien en horen: ‘dit ben ik’ - en dat kun je alleen maar zelf doen. Niemand anders kan dat voor jou doen, en ook kan niemand het beter dan jij. Dat bestaat niet. En durf je tijdens het zingen gewoon je natuurlijke zelf te zijn, dat is bij iedereen mooi.

 

Mijn belangrijkste taak is om nieuwsgierig te zijn naar het geluid van degene die zijn of haar stem wil bevrijden. Dat gaat niet altijd op dezelfde manier. Soms begin ik met een akkoord op de piano. Soms speel ik maar één toon. Of ik begin met een ademhalingsoefening, om iemand te laten voelen wat er zich op dat moment in zijn lijf afspeelt. Dat ademen laat ik overgaan in een geluid dat je nog geen zingen kunt noemen. Bijvoorbeeld een zucht - Aaaahhh! Wel met stemgeluid, maar gewoon een zucht. Als je dat een paar keer vrijuit doet, kan het stemgeluid ergens landen en wordt het vanzelf een toon om mee te beginnen.’

 

Luisteren

‘Het gaat er niet om wat ik in gang zet, maar dat de ander meer en meer de ruimte, vrijheid en uitnodiging ervaart om zijn verhaal te laten klinken. Goed luisteren is daarbij van groot belang. Jij hebt jouw lied en verhaal in je, maar dat is een heel breed terrein waar van alles inzit. En ik ben nu eenmaal geen neutrale aanwezige, dus zul je ook op mijn aanwezigheid reageren. Dat betekent dat als ík naar jou luister er iets anders uit komt dan wanneer er een ander naar jou luistert. Als je gaat zingen ben je zelf dus maar ten dele, of misschien zelfs helemaal niet, verantwoordelijk voor hoe ‘goed’ het is wat er allemaal uit komt. Als ik maar half zou luisteren, of ik zou met gefronste wenkbrauwen zitten kijken, of ik leg mijn hand om mijn mond, of ik ga wegwerpgebaren maken, dan voel jij je een stuk minder vrij om het achterste van je tong te laten zien.

 

Goed luisteren is niet alleen voor mij als stembevrijder belangrijk, maar ook voor de zanger. Als je zingt, heb je tijdens het inademen de ruimte om zelf in verwondering te luisteren naar wat er uit je blijkt te komen. Je luistert naar je inspiratie, naar het geluid dat in je is, dat om je heen is, naar de muziek waarin jij je begeeft. Dat kun je zo groot maken als je zelf wilt: je kunt tijdens het zingen getuige worden van de kosmische muziek om je heen en je vervolgens afvragen: ‘Welk stukje daarvan wil er nu, op dit moment, door mij heen naar buiten komen?’’

 

Expertise

‘Doorgewinterde musici hoor je wel eens vertellen dat zij merken zelf óók instrument te worden. Als je die beleving hebt, word je vanzelf nieuwsgierig naar welke muziek er op jou, als instrument, gespeeld wil worden. Maar dat is niet alleen voor musici weggelegd.

In onze cultuur hebben we van muziek maken een kunst gemaakt; iets dat wij aan enkelen die het heel erg goed kunnen toevertrouwen. Het zijn de experts, die zich van de rest van ons onderscheiden. Het is natuurlijk belangrijk en waardevol dat er zeer getalenteerde mensen zijn die op hoog niveau muziek maken, maar dat betekent niet dat de rest niet kan zingen. Sterker nog: dat wat jouw muziek mooi maakt, is precies datgene wat de muziek van professionele zangers mooi maakt. Zingen is niet mooi omdat de zanger laat horen een of ander kunstje goed te kunnen. Ook professionals klinken pas interessant als ze in de eerste plaats laten horen dat ze mens zijn. Dat ménselijke is het interessante, niet het perfecte. En precies dat menselijke is iets dat wij allemaal met elkaar kunnen delen; ieder op zijn of haar eigen manier.’

 

Eigen ervaring

‘Wat ik nu doe, heeft altijd in mij gezeten. Als vijftienjarige ging ik tijdens een schoolreisje in het gangpad van de bus staan om de samenzang te leiden. Of als er op een verjaardag een piano was, dan ging ik erachter zitten om iedereen aan het zingen te krijgen. Daar hoefde ik geen moeite voor te doen: het gebeurde vanzelf. Ik was in die tijd vaak niet helemaal op mijn gemak, maar voelde me prima op de momenten dat ik de rol van dirigent op me nam.

Rond mijn achttiende moest ik een studiekeus maken, en hoewel mijn hart bij de muziek lag, kwam het niet in mij op om daar mijn beroep van te maken. Je moest wel heel getalenteerd zijn om op het conservatorium te worden toegelaten. Ik kon wel wat met muziek, maar uitzonderlijk goed was ik niet. In plaats daarvan ben ik economie gaan studeren. Ik werd economieleraar en dat vond ik best aardig. Niet waanzinnig leuk, maar heel oké. Toen ik dat echter een jaar of zeven had gedaan, begon ik in te zien dat er voor mij niet veel ontwikkelingspotentieel in zat. Na jaren had ik kunnen doorgroeien naar conrector, of misschien wel rector, maar wilde ik dat wel?

In die periode was ik niet diepongelukkig, maar ergens was ik minder vreugdevol dan ik wilde zijn. Iets in mij was gefrustreerd, ik voelde me alleen en onvervuld. Nu kun je die vervulling voor een deel uit je werk halen, en dat deed ik. Daar zat het probleem alleen niet, dus daar kon ik het ook niet oplossen. Het sudderde een tijdje aan, maar op een gegeven moment moest ik er echt iets mee en toen ik mij over mijn trots en gène heen gezet had, ben ik in therapie gegaan.’

 

Ode an die Freude

‘Het was tijdens een van deze therapeutische bijeenkomsten dat ik enthousiast vertelde dat ik een belangrijke knoop had doorgehakt. Ik zou het middelbaar onderwijs verlaten en solliciteren naar een baan als economieleraar in het hoger onderwijs. Dat vond ik zelf een interessante nieuwe stap, maar de groep reageerde heel lauw. Iemand zei: ‘Ja, dat zal wel. Maar je klinkt er niet erg enthousiast over.’ En vervolgens kreeg ik de vraag wat ik altijd al had willen worden; wat mijn jongensdroom was.

Ik moest terugdenken aan wat er gebeurde toen ik als vijftienjarige in de bus stond. En aan een fantasie die ik in die tijd vaak had en die zich afspeelt in Eindhoven, waar ik woonde. Ik zie mezelf zitten op de eerste rij van de stadsschouwburg. Op het podium is een groot orkest met koor bezig met een uitvoering van de negende symfonie van Beethoven, muziek die ik nog steeds prachtig vind. Ik bedoel het deel met het prachtige slotkoor van ‘Ode an die Freude’ - je weet wel, met die tekst ‘Alle Menschen werden Brüder’. In mijn fantasie wordt de dirigent op dat moment onwel en spring ik het podium op om het over te nemen.

Toen ik daarover vertelde in de groep, zeiden ze: ‘Kijk, als je het hier over hebt, lééf je.’ En ik wist dat ze gelijk hadden. Ik ben toen die passie, hoe vormloos die ook nog was, serieus gaan nemen. Naast mijn baan als economieleraar ben ik lessen gaan nemen in dirigeren, arrangeren, pianospelen en ik heb voorzichtig wat workshops opgezet. Op school startte ik een schoolkoor, waar ik ontzettend veel van leerde. En langzaam groeide het uit tot wat het nu is.’

 

Ontwikkeling

‘Ik kan dat nu makkelijk zo samenvatten, maar het is natuurlijk niet in één vloeiende beweging gegaan. Best vaak heb ik bij mezelf gedacht, goh, waarom heb ik nou toch niet voor het conservatorium gekozen toen ik de kans had? Wat zonde! Geleidelijk aan ben ik gaan zien dat het voor mij een zegen was dat ik een andere studiekeus heb gemaakt. Ik had het nodig om allerlei ervaringen in het leven op te doen voor ik dit stuk kon ontwikkelen. Toen ik in therapie ging, beleefde ik mezelf alleen maar als economiedocent, omdat dat hetgeen was waar ik mij al die tijd mee bezig had gehouden. Als ik op mijn achttiende met het conservatorium was begonnen, was ik misschien in een andere mal beland, waar ik vast ook niet in gepast zou hebben. Wellicht was er dan eerder iets beschadigd dan gegroeid.

 

Mijn bestaan als stembevrijder heeft zich ontwikkeld op allerlei manieren die ik nooit had kunnen voorspellen. Er zijn periodes geweest van plotselinge groei, waarin alles klopte en werkte, en periodes waarin er iets stagneerde. Het is vallen en opstaan geweest - en nog steeds blijft het eindpunt in zekere zin buiten beeld. Dat maakt het ook spannend.

Er is wel het een en ander veranderd toen ik de naam ‘stembevrijding’ ontdekte. Die term gebruik ik nog maar zo’n zes, zeven jaar van de in totaal dertig jaar dat ik bezig ben. Ik zie nu in dat dat woord ook slaat op de periode daarvóór. Toen behielp ik me echter met woorden als ‘zangleraar’ of ‘coach’ of ‘dirigent’, die allemaal de lading net niet dekten. Als ik een cursus ‘zingen’ gaf, dacht iedereen dat het over liedjes zingen ging, of over zingen ‘zoals het hoort’. En had ik het over improviseren, dachten mensen: oei, dat is vast heel moeilijk. Daar moet je creatief en muzikaal voor zijn, dat ben ik niet. Of: je moet heel vrij zijn en dat durf ik niet. In de term ‘stembevrijding’ klinkt de uitnodiging door die ik juist zo belangrijk vind. Er zit iets in dat duidelijk maakt dat je niet al een bepaald niveau moet hebben.’

 

Tekort en overvloed

‘Waar ik zelf na al die jaren achter ben gekomen, is dat er in ons allemaal een gemis zit dat niet op te lossen is. Het was het gevoel dat zo duidelijk bij mezelf naar voren kwam voordat ik besloot om in therapie te gaan - en ik herken het ook bij anderen. Iets in ons zegt: ik ben niet voldaan. Of: ik voldoe niet. Of: het is niet genoeg! Dat iets hunkert naar complimenten, naar applaus, naar bevestiging. Daar ben ik zelf ook naar op zoek gegaan, maar hoeveel applaus ik ook kreeg, dat stuk in mij bleef onverzadigbaar en eigenlijk onbenaderbaar. Het fluistert je in: wat ik ook doe - het is nooit genoeg. En trouwens, wat ik zelf krijg is ook nooit genoeg.

Dit deel leeft enorm in onze maatschappij. We zijn met z’n allen voortdurend bezig om het eronder te houden. Harder werken, veel consumeren, in een eindeloze spiraal. Omdat het gat niet te vullen is, moet er steeds meer komen. Er moet meer verdiend worden, meer gewerkt, jachtiger geleefd, meer informatie verzameld. Er moet van alles en dat leidt tot een grote onrust en krampachtigheid. Allemaal angstige pogingen om dat bodemloze gat dat in ons huist te vullen.

Het wonderbaarlijke is dat als je dat gat gewoon een gat laat zijn, het helemaal niet zo erg is. Er is ook nog een ander deel in ons, van waaruit we moeiteloos onze overvloed kunnen leven. Wij zijn allemaal getalenteerde mensen met specifieke natuurlijke gaven. Zo stond ik te dirigeren voordat ik daar ooit les in had gekregen. Ik kon daar natuurlijk nog genoeg over bijleren, maar voordat ik met leren begon kón ik het al. Dat is dus die overvloed: datgene dat ons van nature is gegeven.

Nu betekent het niet dat we met die overvloed alsnog het gat kunnen gaan dichten. Maar het grote tekort en de enorme overvloed kunnen heel goed naast elkaar bestaan. En we kunnen veel leren door ons bewust te worden van het verschil tussen de twee. We kunnen leren om bewust te zijn vanuit welk deel ons handelen plaats vindt.’

 

Bewust zingen

‘Je zou kunnen zeggen dat al je handelen, dus ook je zingen, steeds uit één van die twee stukken in jezelf voortkomt. Óf je bent vanuit je tekort aan het zingen; waarschijnlijk ben je dan je best aan het doen bent zo goed mogelijk te zingen; aanvaardbaar, harmonisch, mooi - of in ieder geval beschaafd, zodat mensen niet boos worden. Of verontwaardigd. Of met rotte eieren gaan gooien. Of misschien ga je juist wel heel zachtjes zingen, om minder op te vallen. Of je gaat playbacken. Of jezelf enorm overschreeuwen: er zijn allerlei vormen denkbaar; allemaal voortkomend uit pogingen om het tekort te compenseren.

Een andere optie is jezelf te verbinden met wie je in wezen bent, en van daaruit het zingen tot een vorm van geven te maken. Je staat dan stil bij wat je op dat moment oprecht kan geven, omdat het al in je aanwezig is. De vraag is niet meer: heb ik wel genoeg te geven? Nee, de vraag is: ben ik aan het geven, of niet?

Zowel het tekort als de overvloed zijn aanwezig en hebben een functie. Want vanuit een gevoel van tekortschieten ontstaat de frustratie, de wrijving die in wezen een verlangen is. In dat verlangen zit muziek; er zit energie in. Het verlangen brengt jou op jouw specifieke manier in beweging en geeft jouw klank zijn eigen kleur. En ook het gat, het gemis dat in ons is, valt uit en is zelfs te overbruggen met muziek.

Onze tekorten én onze gaven kunnen gewoon naast elkaar bestaan. Zingen is een uitstekende manier om je daarvan bewust te maken. Dat bewuster worden is een reuze opgewekt proces, want hoe bewuster je bent, des te lichter wordt het leven. En er valt wat dat betreft alleen maar winst te behalen, want je kunt niet onbewuster worden dan je al bent. Je kunt wél bewuster worden, en dat is winst.’

____________________________________

Naar het interviewoverzicht