Aardse Zaken

BewustZijn Online

Wim Huijser

werkt als schrijver/publicist en uitgeefconsultant. Hij woont met veel plezier samen met zijn vrouw Marianne (ook een verwoed natuurliefhebber en wandelaar) in Wageningen. In zijn column schrijft hij over de aardse zaken van het bestaan.

 

Het afgelopen jaar was weer een vruchtbaar jaar voor Wim - hij bracht diverse bijzondere boeken uit. Ook voor 2017 heeft hij allerlei spannends op schrijfgebied in petto... Kijk vooral eens op zijn site!

www.wimhuijser.nl

Festivaltijd

Het is augustus als ik dit schrijf. Ons land lijkt opnieuw ondergedompeld in een festivalroes. Maar wie de online agenda’s bekijkt moet vaststellen dat het hele jaar festivalseizoen is. Nog altijd is het de meest dominante manier waarop we met z’n allen muziek tot ons nemen.

 

Nederland telt dit jaar 865 festivals met bij elkaar 18,5 miljoen bezoekers. De wereld een dansfeest, om de schrijver Arthur van Schendel aan te halen. De sfeer op muziekfestivals is heel bijzonder, hoor je van iedereen. Er is geweldige muziek, theater, eten en drank, en ‘festivallen’ blijkt ook nog eens heel goed voor je te zijn. Een onderzoek van de Universiteit van Groningen wijst aan dat jongvolwassenen, die upbeat music luisteren een gelukkiger beeld van de wereld hebben. Muziek zorgt voor de aanmaak van dopamine in de hersenen wat ons een gelukkig gevoel bezorgt en waardoor je helemaal los kunt gaan. Al is het soms ‘dansen op een vulkaan’ (De Dijk), op festivals kun je lekker gek doen, ervaar je ongekend saamhorigheidsgevoel en ben je even helemaal een met wie je totaal niet kent.

 

Er zijn ook mensen als ik, aan wie het, op een bezadigd muziekfestival in de Gelderse bossen na, grotendeels voorbij gaat. Helemaal losgaan, ik heb het nooit gekund. Ook voor mij geldt dat ik het laten vieren van de teugels nogal eng vind. Ik blijf liever als beschouwer aan de kant. Daarom lees ik momenteel Jules Evans, die in zijn boek De kunst van het controleverlies laat zien wat het belang van extatische momenten is. Met beide benen in de Hollandse klei licht de Britse filosoof zijn interesse voor extase toe tijdens Lowlands. Festivals zijn immers een en al extase.

 

Eerder deze zomer verraste de Vlaamse auteur Herman Clerinx mij met zijn boek Een paleis voor de doden, waarin hij filosofeert over de betekenis van menhirs, dolmens en hunebedden. Dergelijke megalithische monumenten waren er volgens hem niet zozeer om doden te eren, maar vooral om de leefwereld van de megalithische mens te verbeteren. Hardop nadenkend combineert Clerinx archeologische gegevens met inzichten uit de antropologie. Het valt hem op dat veel van dergelijke monumenten in regio’s staan die minder geschikt zijn voor akkerbouw, maar vooral voor grasland en veeteelt werden gebruikt. Dat geldt zowel voor het zandige heuvelland van Drenthe als voor de grazige kalklanden van het Engelse Wiltshire, waar vanaf 3100 voor Christus in verschillende fasen Stonehenge werd gebouwd. Het lijkt erop dat vooral veehoeders voor deze monumenten interesse hadden. In tegenstelling tot akkerbouwers leefden die mobiel en verspreid van elkaar. Om niet helemaal geïsoleerd te raken, hadden ze de gewoonte om regelmatig, soms jaarlijks, voor een groots feest of een festival bijeen te komen. Dan ontmoetten ze elkaar, verkochten of ruilden hun dieren omdat er nieuw bloed in hun kudde kwam en gingen ze op zoek naar een partner. Het klinkt allemaal niet veel anders dan het jaarlijkse Koefeest on Oene en Zwarte Cross. Als eenmaal de jonge dieren waren geboren hadden de veehouders tijd om rustig aan te doen. Dan was er gelegenheid tot feesten en deelnemen aan festival. Of het rechtop zetten van een megalithisch monument als Stonehenge, dat meteen kon dienen als symbool van hun gemeenschap. Zeg maar Stonehenge als een uit de hand gelopen Britse buurtbarbecue voor moderne druïden. Met zijn boek maakt Clerinx voor mij ook de Brexit een stuk beter te begrijpen. Festivals zijn van alle tijden en hebben hun plek in de eeuwige cirkel van de natuur, zoveel is duidelijk. Misschien volgend jaar de klassieke NJO Muziekzomer toch eens verruilen voor Lakedance of Burning Man.

____________________________________

Arcadia

Voor de opening van de fototentoonstelling De Waal / Bewogen van fotograaf Andrea Gulickx in het Streekmuseum in Tiel heb ik Willem van Toorn uitgenodigd. Hij is een schrijver die ik al mijn leven lang bewonder, twee keer heb ontmoet, maar nooit heb gesproken. Nu ja, één keer waarschijnlijk met een enkel woord, want in mijn boekenkast vind ik de Salamanderpocket Bataafsche Arcadia. Het is gesigneerd: Rotterdam, 20 maart 1982. Bij die Boekenweekaankoop - op de kop af 35 jaar geleden - moeten we ook iets hebben gezegd, maar meer dan het plichtmatige zal het niet zijn geweest. Ik herinner mij er althans niets van. Ook in het titelverhaal vind ik bij het herlezen geen herkenning. Wel verwondering. Het verhaal gaat over een zomerkamp in de Veluwse plaats R. Onvermijdelijk ga ik de mogelijkheden na. Als ik de schrijver op zijn woord mag geloven, is er maar één plaats die daarvoor in aanmerking komt: Renkum, een paar kilometer van mijn huidige woonplaats vandaan. Ik moet hem ernaar vragen, neem ik mij voor.

 

Als we elkaar een paar dagen later in het museum aan de Waalkade de hand drukken, is de ontmoeting allerhartelijkst. ‘Zullen we maar collegiaal jij zeggen?’ had Willem mij al per e-mail voorgesteld. Het gaat vanzelfsprekend. Vanaf een spreekgestoelte mag ik hem inleiden. Zowel zijn roman De rivier, als zijn poëzie zijn sterk verweven met het rivierenlandschap en de transparantie in het werk van schilder Willem den Ouden. Beiden hebben het kwetsbare en de schendbaarheid van het vertrouwde in weloverwogen woorden en ijle tinten gevat. Hoewel Van Toorn al weer jaren in Frankrijk woont, en daarvoor in Amsterdam, is dit - of hij wil of niet - zijn echte thuis. Hier op de dijk in Tiel heeft hij zichzelf in proza vastgelegd. Er was geen fotograaf bij, maar in zijn herinnering vormt zich toch een foto met daarop zijn ouders, zijn broers en zusje, en hijzelf, op enige afstand en in korte broek. Ik lees een passage voor uit De rivier: ‘Boven ons de enorme blauwe lucht met lui voortdrijvende opstapelingen van witte wolken. Achter ons het lage binnendijkse land, een schuur met een bemost dak, een pad naar een scheef hek tussen hoge bloeiende kersenbomen. Voor ons, onderaan de steile helling, de golvende groene uiterwaarden, de krib met zijn grijze stenen en zijn driehoekige houten baken, dan de rivier blikkerend in de zon.’ Het is deze reflectie op de grens van land en water die door Andrea Gulickx in een bewogen zachtheid is vastgelegd. Foto’s die vanaf het eerste tot het laatste beeld het woord poëzie afdwingen. Na mij leest Willem gedichten uit zijn bundel Dooltuin, die hij meer dan twintig jaar geleden schreef bij litho’s van Den Ouden. De strijd tegen de dijkverzwaringen was toen in volle gang. ‘Attila op de bulldozer’ hapte bomen uit het landschap en versneed het landschap zoals het op de tekentafels van Rijkswaterstaat was bedacht. Naast Van Toorn en Den Ouden, waren het de graficus Gerrit Noordzij en politica Ria Beckers die er zich met kracht tegen verweerden in een op voorhand ongelijke strijd. Van die bewogen tijd is in de foto’s van Andrea Gulickx niets meer zichtbaar. Zij heeft er haar eigen beweging overheen gelegd: als de ‘zachte krachten’ uit het gedicht van Henriëtte Roland Holst.

 

Als de tentoonstelling is geopend, laat Willem mij kennismaken met zijn vrouw Ineke Holzhaus, ook een dichter. Ineens worden lijnen in het literaire landschap zichtbaar. We hebben het over Poetry International en bevriende dichters van het eerste uur, wier stemmen ijl en breekbaar zijn geworden. Het is druk in de expositieruimte. Uit de vele reacties spreekt bewondering voor het werk. Als de middag voorbij is, ben ik Willem vergeten te vragen naar dat zomerkamp in het plaatsje R. Maar ineens is mij het Arcadia in het werk van Willem van Toorn duidelijk. Uiteindelijk is het de herdersroman, waarin het eenvoudige landleven wordt geïdealiseerd. Het zijn de auteur, zijn geliefde en hun vrienden die er keer op keer in optreden.

 

____________________________________

 

In the bleak midwinter

Afgelopen week wandelden wij door Den Haag vanuit het Zeeheldenkwartier richting centrum. In de buurt van het Lange Voorhout rook het naar vuurkorven en broodjes beenham. Voor we het wisten werden we in een stroom van mensen meegenomen door een poort die toegang gaf tot een rij betimmerde pagodetenten. Links en rechts stonden luxe goederen en etenswaren verleidelijk uitgestald. Natuurlijk was ook de glühwein rijk voorradig, al gaf de temperatuur daar allerminst aanleiding toe. Al na honderd meter hielden we het voor gezien. Elk evenement heeft zijn doelgroep en hier waren wij duidelijk niet op onze plaats. Toch zat het gevoel op een verkeerde bestemming te zijn beland niet zo zeer in de kerstkramen met parfums en winterse merktruien, maar veel meer in de organisatie er omheen: de geüniformeerde beveiligingsmedewerkers zonder kerstmuts, de hoge hekken die het evenement aan alle zijden afbakenden, het opvallende canvas met de tekst emergency access. Het maakte deel uit van een entourage die in mijn herinnering nooit bij de verwachtingsvolle weken voor kerst heeft gehoord. Of is mijn geheugen te selectief geworden? Laat ik mij al te graag meenemen in de nostalgie van een wereld die nog te overzien was? Is het mijn naïviteit - die ik koester om niet meegenomen te worden in de vrees voor wat dagelijks via het nieuws over ons wordt uitgestrooid? In deze adventstijd leven veel mensen meer dan ooit met de ondefinieerbare angst voor wat wellicht zou kunnen komen. Jan Terlouw verwoordde het onlangs even alledaags als menselijk: we zijn het touwtje uit de brievenbus kwijtgeraakt.

 

Drie dagen later word ik om zeven uur gewekt met het nieuws van een kerstmarkt bij de Berlijnse Gedächtniskirche. Meteen zie ik het beeld van mensen op het Lange Voorhout voor me en ik vraag mij af hoeveel ingangen er waren voor hulpdiensten. Moeten we voort met de gedachte dat een kerstmarkt voortaan een risicozone is? Als de wereld zich in de dagen voor kerst zo donker kleurt, waar moet je dan het licht nog vinden? Het touwtje van Terlouw, hoe komen we daar ooit weer bij?

 

‘En toch wordt het elke dag weer ochtend’, zegt een stem op de radio. Ik besluit mijn werk te laten liggen en een winterwandeling te maken. De zonnige dag die voorspeld is blijkt een paar kilometer van huis verscholen achter een winterse mist. Ik rijd naar het Veluwse dorp Uddel en verken in de volkomen stilte die boven de berijpte zandgronden hangt een nieuw pad. Het slingert zich door een landschap waarin duidelijk de rudimenten van de laatste ijstijd waar te nemen zijn. Ik passeer de Hunneschans die nog altijd voortleeft in Veluwse volksverhalen, het mysterieuze bouwwerk dat wordt toegeschreven aan een primitieve horde der Hunnen. Talloze schoolreisjes gingen er ooit naar het Uddelermeer, maar gezwommen wordt er allang niet meer. De schapen die ik op mijn pad passeer hebben bezit genomen van de vorstheuvel. Niets lijkt ze in de weg te staan. Ik wandel over de hei en door het bos langs het Kroondomein. De grijze lucht hangt laag over de velden. Nergens komt de gedachte aan een dreigingsniveau in mij op. Als ik mijn best doe om even niet beter te weten, lijkt de wereld volmaakt. Het is niet de nostalgie, denk ik in een helder moment, maar het onbevangene dat je heel moet houden.

Bij een tuincentrum in de verte brandt een slinger van lampjes in de kerstbomen. Wie de donkere dagen uitkiest om op pad te gaan, loopt uiteindelijk het licht tegemoet.

____________________________________

 

Moeder en zoon

‘Wij gaan eropuit’, zegt mijn moeder als ik haar kom ophalen in het verzorgingstehuis waar ze sinds kort woont. Ik pak haar hand en we wandelen de gang uit. Kordaat zet ze haar beste been voor. Het is een zomerse dag. In haar nieuwe bestaan worden die veel minder wandelend beleefd. Er hoeven geen boodschappen meer te worden gedaan of bezoekjes afgelegd. Het vaste pad leidt in haar nieuwe omgeving van haar eigen vertrek naar de gezamenlijke huiskamer. Voor eropuit gaan is geen noodzaak meer. Alles heeft ze in huis, tot aan de dominee en de kapster. ‘Wat een luxe toch’, hoor ik mijn moeder geregeld zeggen. De keerzijde blijft onbelicht. Vandaag maken we weer eens een ommetje, een blokje om het huis en de naastgelegen plas. ‘Wat een geweldig weer’, zegt mijn moeder. Ik wijs op de huizen waarvan ze meestentijds alleen de achterkant ziet. Oriëntatie is een vermogen van voorbijgaande aard. Het leven kent steeds meer momenten van verwondering. ‘Ik dacht al’, zegt ze als ik uitleg dat we van een afstand naar haar nieuwe thuis kijken. We nemen plaats op een bankje in de schaduw. Onder een treurwilg liggen eenden zich te poetsen. We beschouwen wat nooit eerder is opgevallen: de slapende houding van een wilde eend. ‘De natuur is toch prachtig’, stelt mijn moeder vast. We zitten een tijdje, meer niet. Het genoegen dat er uit spreekt heeft geen woorden nodig. Het is een heel basaal verhaal. Als een meeuw met veel kabaal tussen de meerkoetjongen landt, stuiven die geschrokken uiteen. Hun poten haast groter dan het lichaam dat ze dragen. Mijn moeder kijkt verontwaardigd: ‘Overal heb je baas boven baas.’ Haar woorden neem ik steeds zorgvuldiger in mij op. Gesprekken zijn veranderd in af en toe een puntige beschouwing. Ik moet denken aan het boek waar Arnon Grunberg aan werkte toen zijn moeder plotseling overleed. Kort daarvoor was hij weer bij haar gaan wonen. Hij beschouwde het aanvankelijk als een ‘project’, zoals dat eerder gold voor Irak en Guantánamo. ‘Maar misschien is dat onjuist, misschien is het een eindspel’, schreef hij in een Voetnoot op de voorpagina van de Volkskrant. In februari 2015 overleed Hannelore Grünberg-Klein op 87-jarige leeftijd. Grunbergs aangekondigde roman over haar, die op Moederdag moest verschijnen, werd uitgesteld. In plaats daarvan verschenen haar memoires: Zolang er nog tranen zijn. De literatuur is vol van boeken over moeder en zoon, maar niet altijd uit sympathie. Adriaan van Dis beschrijft in Ik kom terug het boosaardige pad dat hem terugleidde naar het verpleeghuis van zijn moeder. In Magdalena onderwierp Maarten ’t Hart de ‘wonderlijke eigenaardigheden’ van zijn moeder aan een nader onderzoek. Verhalen die zich nauwelijks laten vergelijken. Iedereen kiest zijn eigen woorden, ziet zijn eigen moeder. ‘Zullen we verder gaan?’, vraag ik. We staan op en ik breng mijn moeder thuis. <<

 

Bovenstaande column verscheen afgelopen zomer in ‘Levenspaden. Over wandelen en onderweg zijn’ bij Uitgeverij Ten Have. Wim Huijser schreef dit boek samen met Marinus van den Berg (schrijver en veelgevraagd spreker over omgaan met de dood). Zij delen een voorliefde voor wandelen en voor het lezen van literatuur. In ‘Levenspaden’ overdenken ze om beurten wat de betekenis is van deze twee activiteiten - in persoonlijke, maar ook in universele zin. Hoofdthema is dat onderweg zijn een prachtige manier is om jezelf te ontwikkelen, en stil te staan bij je eigen levensloop.

 

____________________________________

Loopvlak

Een paar dagen wil ik op Vlieland zijn. En wel zo verlaten mogelijk, in het Posthuys. Wie nog westelijker gaat, loopt al gauw tegen de rode vlaggen van Vliehors op. Je kunt het ongeluk treffen dat Defensie daar net actief is; het is het enige gebied in Nederland waar vliegeniers mogen oefenen met munitie en explosieve ladingen. Een paar jaar geleden raakte een F-16 in plaats van het gronddoel de controletoren van het oefenterrein. Wonderlijk genoeg raakte niemand gewond. Toch beloofde de luchtmacht een onderzoek in te stellen. Het lijkt me verspilling van tijd. Wat valt er te onderzoeken? Iemand schoot mis, zoveel is zeker.

 

De dagen dat ik op de westelijke helft van Vlieland bivakkeer is het er nagenoeg stil. Wie toch nog verder wil kan in het weekend het drenkelingenhuisje bereiken. Dat staat al ruim een eeuw volkomen verlaten tussen paal 35 en 36. Ook het huisje zelf staat op palen. Rondom staan voorwerpen die door jutters zijn gevonden. Ze vormen wat de jutschutting wordt genoemd. Behalve hout, horen soms ook computermonitors en bloemengieters tot de strandvondsten. Ooit diende het daadwerkelijk als vluchtplaats voor gestrande schipbreukelingen. Behalve droge kleren, water en voedsel was er de telefoonverbinding met het voormalige Posthuis. Sinds een jaar of twintig is deze plek ook een officiële trouwlocatie. Ik stel me de romantiek van twee individuen voor onder een immense hemel. Schuilend bij elkaar in een leegte die zich uitstrekt tot zover het oog reikt. Verenigd en beschermd tussen het bijeen gedreven wrakhout van de wereldzeeën.

 

Maar romantiek heeft in onze tijd al gauw een praktische insteek. Zo lees ik dat het drenkelingenhuisje te bereiken is met de Vliehors Expres, een grote truck met acht stoere banden. Moeiteloos rijden ze - er zijn er twee - over het zand naar het uiterste puntje van Vlieland. De grootste kracht van de voertuigen schuilt echter in het breekbare spoor dat ze nalaten: poëzie. Sinds 2004 kerft de eigenaar jaarlijks een nieuw gedicht in de achterbanden van een wagen. Zo’n 5,5 miljoen keer wordt deze tekst van 112 tekens verdeeld over twee regels in het zand gedrukt. Zoals deze tekst van eilanddichter Gerda Posthumus: ‘Een zin nat van herinnering aan overvloed. / Zomaar een zee gevuld met golven zonnegloed.’ De woorden worden vereeuwigd in het zand. Tot het opkomende tij de vergankelijkheid bewijst. Maarten Nijman - een van de initiatiefnemers - schreef in het geheim een huwelijksaanzoek in een band. Drie dagen reed hij ermee rond. Toen zijn geliefde onduidelijke sms-berichten uit het dorp ontving, ging ze toch maar eens op het strand kijken. Heeft het huwelijk dat er op volgde zich ook in het drenkelingenhuisje voltrokken? Ik weet het niet. In romantiek kun je ook doorschieten.

 

Het snijden van de gedichten is handwerk, evenals het schrijven. Dat laatste heeft tegelijk het karakter van een wedstrijd. Zo’n achthonderd inzendingen komen er jaarlijks op binnen. Ninja Luijten is deze zomer de winnende dichter. Het is haar tekst waaraan mijn blik blijft haken als ik vanuit het Posthuys over het Pad van Zes richting strand loop: ‘Heen en weer rollen de golven, spel van natte zoen. / Brekend schuim fluistert bevlogen; leef nu want nu wordt toen.’ Het duurt even voor ik weet wat ik lees, en begrijp waar ik naar kijk. Vanzelfsprekend maak ik een foto. Het verhaal van het besneden loopvlak van de kolossale banden in het mulle zand heb ik dan nog niet meegekregen. Dat komt later. Met een beetje kosmische wil kan ik in de dichtregels nog een boodschap verstaan: Leef nu. Doelen liggen in het verschiet. Het is een kwestie van focussen. De kunst is echter om het eerst in het vizier te krijgen. Wie niet goed richt schiet mis. Logica waar ook bij Defensie niets aan te onderzoeken valt. Op het moment dat ik meende het veer naar Vlieland te moeten nemen, werd een deel van mijn verwachting al vervuld. Nu ik hier ben geef ik me over aan de verwondering. Als de poëzie het pad bepaalt, is er geen romantiek tegen opgewassen.

 

____________________________________

Maasoever

Rotterdam, stad van mijn vader is de titel van een fotoboek dat ik mijn vader ooit cadeau gaf. Sindsdien is het een bijna vanzelfsprekende zinsnede die ik gebruik om mijn verhouding tot de stad aan te geven. Ik ben er niet geboren, maar werd er wel mee grootgebracht. Het boek van Joop Mekes laat een voor mij vrijwel onbegaanbaar Rotterdam zien, met uitsluitend foto’s uit de eerste decennia van de twintigste eeuw. De spiegel in de tijd is geplaatst kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Het Witte Huis, door sommigen beschouwd als de eerste wolkenkrabber van Europa, is mijn enige referentiepunt. Maar ook mijn vader moet met het boek slechts een beperkte tocht door het verleden hebben kunnen maken. Hij was nog geen tien toen zijn stad voor goed veranderde.

 

Vijfentachtig jaar later, als Marianne en ik een dagje Rotterdam doen, ontkom ik er niet aan af en toe door zijn ogen rond te kijken. Het is al bijna tien jaar geleden dat ik hem op een voorjaarszondag in een rolstoel via de Parklaan naar de Veerhaven reed. Het zou zijn laatste bezoek aan de Maas zijn. We dronken koffie in het Wereldmuseum. Het moment herleeft als we, lopend over de Willemskade, naar het indrukwekkende panorama op de Kop van Zuid kijken. New Orleans, Maastoren, De Rotterdam, hij heeft ze niet meer zien verrijzen. We varen over naar Hotel New York en ik kijk met dezelfde verwondering en gretigheid rond als bij ons eerste bezoek aan de Big Apple. Een zoekende toerist in een niet meer vanzelfsprekende omgeving. Over de Rijnhavenbrug wandelen we naar Katendrecht. Ooit het toponiem voor waar je niets te zoeken had, nu een ontwapenende krachtplek vol jonge ondernemingslust, ambachtelijke en eerlijke producten. Hoeren en criminaliteit zijn ingewisseld voor boerenkaas en versgemalen koffie. In Fenix Food Factory maken we kennis met de boekhandelaren Bosch & De Jonge die in een hoek van de loods enkele weken eerder hun nieuwe avontuur zijn begonnen. We kopen het net verschenen Go Set a Watchman van Harper Lee, een boek dat ook via een onvoorzien spoor in een nieuwe eeuw belandde. Bij de Kaapse Brouwers laat ik een glas ‘Kaapse Harrie’ tappen, een van de ‘stoere non-conformistische stadsbieren’. De lucht ademt mout. Wat had ik hier graag met mijn vader rondgelopen. Hij zou me gewezen hebben op de verrassende leegte van de Rijnhaven waar hij ooit voor zijn werk over binnenvaartschepen klauterde. Dynamiek die zich verplaatste, perspectief dat kantelde, verhalen die zijn ingehaald.

 

Via de Erasmusbrug lopen we terug naar de noordelijke Maasoever. Aan de Wilhelminakade ligt de Wind Surf, het grootste zeilcruiseschip ter wereld. Het trekt veel bekijks, maar mijn oog is meer gericht op de nietigheid van het Witte Huis aan de overkant. Net als de wereld lijkt hij beduidend klein geworden. ‘Heel de aarde is je vaderland’, citeert de gevel van de bibliotheek Erasmus.

 

____________________________________

Uitgesteld vallen

Het nieuws dat dichter en programmamaker Wim Brands is overleden, komt bijna als een dief in de nacht. Om half elf, bij aanvang van het radioprogramma Opium op 4, is het een kort bericht dat vooralsnog sprakeloos maakt. Er ligt bij de presentator van dienst geen tekst voor klaar. Ook thuis op de bank vind ik geen woorden voor de koude schrik die me overvalt. In stilte volg ik hoe het doodsbericht zich over Twitter verspreidt. Het medium biedt geen ruimte voor nuance, maar zo kort na het nieuws lijkt daar nog geen behoefte aan. Wat ik zie lees ik als woorden recht uit het hart.

 

In de daaropvolgende dagen heeft de schok plaatsgemaakt voor verdriet en verslagenheid. Ineens is het alsof Brands poëzie overal en altijd voor het grijpen lag. De behoefte aan citeren is groot: ‘Ze naderden mij. / Zonder schaduwen. / Het was nacht. / De schaduwen zijn dan vrij. / Zonder meesters naderden ook zij mij.’ Ik zoek oude uitzendingen van VPRO Boeken op. Op NPO Cultura zie ik Brands met poëzie terug, opgenomen tijdens de laatste ‘Nacht van de Poëzie’. Ik weet dat het zo niet werkt, maar met de kennis van nu lijkt elk gesprek een schaduw vooruit te werpen. Zoals in de laatste regels van K. Schippers: ‘Iemand niet mogen zien. / Iemand in het geheim zien. / Iemand nooit meer zien.’ Ook als Pieter Boskma en Hester Knibbe aan tafel zitten lijkt het thema dood en rouw de boventoon te voeren. Het is een thematiek waar je knettergek van kunt worden, zegt Boskma. ‘Het kan bezit van je nemen. Je moet er niet in zwelgen.’ De naam van Joost Zwagerman valt, die juist die week is begraven. Aan de referentie naar Brands eigen poëzie valt als kijker niet te ontkomen: ‘Achteraf is alles / altijd eenvoudig’.

 

Ik kijk ook naar een uitzending van Boeken op reis, waarin Wim Brands in Brooklyn, New York de Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver ontmoette. Taboes worden in haar boeken niet geschuwd. Voor haar roman Big Brother gebruikte zij het verhaal van haar broer Greg die stierf aan de gevolgen van overgewicht. Als ik Brands met de schrijfster door de straten van Brooklyn zie gaan, valt mij zijn manier van lopen op. Die komt op mij over als de gang van een niet-loper. Ik kan het niet anders duiden. Het lijkt niet de tred van iemand voor wie wandelen een doel is, voor wie het einde van het pad een richtpunt is.

 

Een paar dagen later kijkt schrijver Thomas Verbogt in Buitenhof terug op de vriend die hij vijfentwintig jaar ook als dichter bewonderde en wiens poëzie tegelijk scherp en ogenschijnlijk licht was. Op het gevaar af eveneens in psychologie van de koude grond te vervallen, probeert hij de onrust die Wim Brands kenmerkte te duiden. Genieten van zon, zeelucht en een glas wijn kon heerlijk zijn, had zijn vriend beaamd. Maar nooit te lang, dan werd het gevaarlijk. Als illustratie bij de eenvoudige, heldere zinnen in Brands poëzie, memoreert Verbogt enkele woorden uit het gedicht ‘Vallende Vaders’. ‘Lopen is een uitgesteld vallen,’ wist Brands. Wie zich tot poëzie wendt, ontkomt niet aan interpretatie. In wat een kleine anekdote lijkt, gaat een gevaarlijke afgrond schuil.

 

Voor eenzame doden is er in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam de Stichting Eenzame Uitvaart. Op 6 januari van dit jaar was Wim Brands er voor het laatst ‘dichter van dienst’. In Uitvaartcentrum Zuid las hij een in memoriam-gedicht voor iemand die niet werd gemist, een buitenstaander. ‘Verbeelding schiet altijd tekort’, waren zijn laatste woorden. De diepte is onpeilbaar.

 

____________________________________