Aardse Zaken

BewustZijn Online

© BewustZijnsWerk 2018

Wim Huijser

werkt als schrijver/publicist en uitgeefconsultant. Hij woont met veel plezier samen met zijn vrouw Marianne (ook een verwoed natuurliefhebber en wandelaar) in Wageningen. In zijn column schrijft hij over de aardse zaken van het bestaan.

 

Het afgelopen jaar was weer een vruchtbaar jaar voor Wim - hij bracht diverse bijzondere boeken uit. Ook voor 2018 heeft hij allerlei spannends op schrijfgebied in petto... Kijk vooral eens op zijn site!

www.wimhuijser.nl

Brugge, die stille

Brugge is een stad die al eeuwenlang wemelt van de kerken. Het centrum telt er meer dan dertig. Toch is het slechts een klein deel daarvan dat de aandacht trekt, want de meeste bezoekers komen over het algemeen niet veel verder dan de ‘gouden driehoek’ tussen De Burgh, ‘t Zand en het Minnewater, waar de religieuze pracht en praal steeds meer moet wedijveren met mondaine modehuizen, chocolaterieën en pizzazaakjes. De Heilig Bloedbasiliek, Onze Lieve Vrouwekerk en Sint-Salvator Kathedraal vormen de onverbiddelijke must-sees waar toeristengroepen door gidsen met opgeheven paraplu’s worden heengeleid. Sinds de historische binnenstad in zijn geheel op de Werelderfgoedlijst van UNESCO staat weten buitenlandse bezoekers Brugge massaal te vinden en het lijkt er soms op dat er meer buitenlandse toeristen dan Bruggelingen rondlopen. Overdag wekt het centrum van Brugge steeds meer de indruk een stad te zijn die geen stilte kent. Pas lang nadat de rolluiken zijn neergelaten voor de etalages in de Steenstraat doet de binnenstad weer denken aan de negentiende-eeuwse roman Brugge-de-dode, waarin schrijver Georges Rodenbach de melancholie van de oude, slapende stad verenigde met de weemoed en de droefheid om een overleden jonge vrouw. Het dramatische gegeven in het boek wordt nog verder uitvergroot als de weduwnaar Hugues Viane, die voortdurende treurende wandelingen door zijn stad maakt, in de jonge danseres Jeanne Marchal zijn gestorven echtgenote Blanche terugziet. Op de dag van de Heilig Bloedprocessie nodigt hij haar voor het eerst bij hem thuis uit, waarna het noodlot andermaal toeslaat en uiteindelijk de beelden van twee dode vrouwen zich met elkaar verenigen, evenals met het geluid van de kerkklokken. Omdat ‘de dode’ wel erg definitief klonk werd Brugge, die stille in de jaren tachtig de verzachtende titel van de trage boekverfilming.

 

Het verstilde Brugge


Rodenbachs boek wekte destijds de woede van de Bruggelingen, maar leidde er wel toe dat ineens veel lezers de stad wilden bezichtigen. Toen Brugge ook weer een zeehaven kreeg waren de inwoners van de stad ervan overtuigd dat ze een nieuwe ‘gouden eeuw’ tegemoet gingen. En zo geschiedde. Vooral in de afgelopen decennia is het toerisme in Brugge explosief toegenomen. Zo zeer, dat ik tegenwoordig de omgeving van de markt en het Belfort zoveel mogelijk mijd.

 

Op zoek naar het verstilde Brugge van Rodenbach dwaal ik door de wijken Sint Gillis en Sint Anna waar minder imposante torens meer naar de menselijke maat zijn. ‘Slenteren door het Stille Brugge’ heet tegenwoordig een rondwandeling in de stadsgids. Op zo’n rondgang bezocht ik onlangs de Sint-Annakerk, waarvan ik de slanke toren tot voor kort alleen van in het voorbijgaan kende. Hoewel het zeventiende-eeuwse bouwwerk vanwege het harmonieus barokke interieur de ‘salonkerk van Brugge’ wordt genoemd en de deur er wijd open staat, staan de toeristen er niet voor in de rij, evenmin overigens als de Bruggelingen.

 

Stilstaan


Het is er stil als ik op een zonnige zomerochtend samen met mijn vrouw de kerk betreed waar zo’n twee eeuwen terug de dichter Guido Gezelle werd gedoopt. Later zou hij hier zijn eerste communie doen en na zijn priesterwijding zijn eerste mis opdragen. Een halve eeuw later stelde de parochiepriester Florimond Fonteyne zich in en om de kerk op als een ‘vriend der armen’ en liet hij zich vergelijken met Adolf Daens in Aalst, waardoor zijn onderpastorie op de Sint-Annaplaats de ontmoetingsplaats werd van sociaal geëngageerden. Totdat Fonteyne door de katholieke kerk werd verbannen naar de verafgelegen parochie van Zarren. Het zijn menselijke feiten waar ik geen weet van had tot ik erbij stilstond. Voor veel toeristen die kerken bezoeken is stilstaan een opgave, laat staan stilzitten. Luc, een hippe zestiger met een grijze paardenstaart en sinds enige maanden vrijwillig toezichthouder in de kerk, vertelt ons hoe hij een Amerikaanse toerist, omhangen met dure camera’s, de kerk zag binnenstormen om in een paar minuten het interieur vanuit alle hoeken vast te leggen en zich meteen daarna weer naar buiten te haasten: ‘It’s Thuesday, so this must be Bruges.’ Op de scheiding van het koor en de benedenkerk zijn we met hem in gesprek geraakt nadat ik hem heb aangesproken om te zeggen hoe verrassend mooi ook deze kerk weer is. We zijn op dat moment de enige bezoekers waardoor alleen onze stemmen de stilte verbreken. Luc is gewend dat mensen geïmponeerd zijn door de rijke aankleding van het gebouw. Hij neemt dat waar als bezoekers de kerk - soms aarzelend - betreden en daarvan op fluistertoon blijk geven. ‘Er is respect voor de stilte’, zegt hij en aan zijn gezicht is af te lezen dat dit ook voor hem geldt. ‘Eigenlijk kom ik hoofdzakelijk daarvoor’, bekent hij. ‘Wat je hier hoort is een welluidende stilte.’ Maar is het niet jammer, vraag ik hem, om toezicht te moeten houden op een kerk waar de meeste mensen letterlijk aan voorbijgaan. ‘Natuurlijk is het fijn als mensen de kerk bezoeken,’ is zijn antwoord, ‘maar het mooiste is het toch als ik hier helemaal alleen ben en ik de hele kerk voor mijzelf heb. Alleen zijn met de stilte. Dat je niets hoort, enkel soms het hoge geluid van de vogels in de bomen om de kerk.’

 

Toezicht


Luc vindt het boeiend om te zien wat stilte met mensen doet. ‘Als ze binnenkomen móeten ze wel fluisteren. De kerk dwingt dat af. Ze lopen dan heel rustig naar voren. De meeste bezoekers lijken mij niet te zien. Ik sta hier stil in het doksaal, maar eigenlijk ben ik er niet. Misschien denken ze dat ik een beeld ben of zoiets. Maar dat maakt mij niet uit. Ik sta hier vrijwillig en ik vind het geweldig om dat te kunnen doen.’

 

Al is Luc ooit in deze kerk gedoopt, een geregelde kerkganger was hij al lang niet meer. Toen hij als koorknaap de baard in de keel kreeg hield het voor hem op, vertelt hij met een twinkeling in de ogen. Maar sinds kort laaft hij zich weer aan de rust van het gebouw. Natuurlijk vindt hij het ook leuk om af en toe met bezoekers te praten en iets te vertellen, ook al is hij pas sinds een paar maanden toezichthouder en is er ook voor hem nog veel te ontdekken. ‘Als je hier staat moet je natuurlijk wel iets uit kunnen leggen’, lacht hij, ‘maar ik heb net een geheimpje ontdekt.’ Hij troont ons mee naar de houten lambrisering achter de communiebanken waar hij ons op een oneffenheid in het hout wijst. ‘Ik dacht dat dit losse stukje hout een overblijfsel van een restauratie was, maar kijk’ – hij duwt het houten klosje opzij – ‘hierachter blijkt een slot te zitten. Dit is dus een kast. Wat erin zit weet ik niet. Leuk hè? Zo leer ik elke dag bij.’

We praten over de groeiende behoefte aan stilte in een stad die door de commercie en het grote geld lijkt te worden overgenomen. De vraag is in hoeverre toeristische kerken nog een vindplaats van spiritualiteit kunnen zijn. Voor veel zoekende mensen lijkt stilte de grootste basisbehoefte. Maar waar vind je dat nog? ‘Ik ben gelukkig met de stilte van deze kerk’, zegt Luc. ‘In de andere grote kerken van Brugge hoor je overal gezang, de godganse dag. Maar wel van een cd. Dat is op zich nog niet zo erg, ware het niet dat die cd de hele week op repeat staat. Hier hoef ik niet met muziek in een stemming te worden gebracht. Uiteindelijk werkt stilte veel harder door.’

 

Verleidingen


Terwijl we in gesprek zijn wordt ons oog naar het imposante doek Het laatste oordeel van Hendrik Herregouts getrokken dat 350 jaar geleden speciaal voor de Sint-Annakerk werd gemaakt en een paar jaar geleden grondig is gerestaureerd. Naarmate we langer kijken ontdekken we er steeds meer naakte en gespierde lichamen in. Luc heeft ze nog niet geteld, maar de symboliek is hem glashelder. Wie door de engelen omhoog wordt getrokken wacht het hemelrijk, wie neerdaalt is voor eeuwig gedoemd. We filosoferen over de beschutting van een kerk waarin zich de vroomheid van de kerkganger manifesteert. Totdat hij zich afwendt van het altaar om de wereld opnieuw tegemoet te treden. Hoe zal de wereld hem ontvangen en welke verleidingen zal hij op zijn weg vinden?

 

Aan de andere kant van de deur schijnt de zon, daar wenkt de drukke stad. Aan het eind van de straat stroomt de Sint-Annarei waarover toeristen in bootjes worden meegevoerd. Een blikken luidsprekerstem verklaart wat zich niet een-twee-drie laat uitleggen. In bistro Sint Anna op de hoek van het Sint-Annaplein wordt de lunch geserveerd. Met een Straffe Hendrik en een Duvel.

____________________________________

 

Door doolhoven

 

We dwalen een paar dagen over ons geliefde Texel. Als door een labyrint volgen we de route over de Hoge Berg, tussen tuunwallen, drinkkolken en schapenboeten. Vijftien meter rijst de berg, ontstaan door kleiopstuwingen in de ijstijd, boven zeeniveau uit. Het bosje aan de zuidoostkant van de berg draagt de intrigerende naam ‘het Doolhof’. Het is een misleidend bosje, want door de bomen lijkt de Hoge Berg wel twee keer zo hoog. Een einddoel heeft het doolhof niet meer of het zou het kleine heuveltje moeten zijn waarover op Texel het verhaal gaat dat er een grote kei, de Engelse steen, in verborgen ligt. Deze kei zou helemaal onder de Noordzee doorlopen tot in Engeland en een oude heidense traditie in zich dragen. Met offers, bedoeld om de goden en godinnen van de inheemse bevolking een goede oogst af te smeken, zou die traditie op de steen heel lang in ere zijn gehouden. Totdat met de kerstening van ons land het oude geloof werd uitgebannen.

 

We lopen verder tussen de aarden wallen, die de stukken land bij gebrek aan sloten en houtwallen gescheiden hield. In de opeengestapelde plaggen staken de eilanders duindoorntakken om de schapen tegen te houden. Tegenwoordig zijn de tuunwallen van Texel beschermd. Niet alleen worden de oude wallen onderhouden, er worden ook nieuwe aangelegd. Een oud gebruik krijgt zodoende nieuwe waarde.

 

Ooit gaf de Hoge Berg een prachtig uitzicht op de Texelse Rede. De Amsterdamse ‘commies’ Mr. Cornelis Roepel maakte er in de achttiende eeuw een mooi lusthof van met een sterrebos en een wandellaan. Later werd er een klein doolhof aangelegd, waardoor het een geliefd gebied werd voor uitstapjes. Het doolhof verdween in de loop der tijd, maar de naam bleef, evenals het bosje. Hildebrand noemde het in de Camera Obscura een ‘nietig overschot van vroegere woudpracht’ en Jac. P. Thijsse beschreef er in zijn Texelse jaren de vogelpracht, als het bos vol zat met trekkende zangvogeltjes. ‘Bossiesdag’, een oude traditie van de Texelaren, is de laatste decennia weer gaan herleven. Met Pinksteren trekken Texelse kinderen naar het Doolhof om er een duif – symbool voor de Heilige Geest - los te laten en het pinksterverhaal voor te lezen. Nog altijd werkt het Doolhof inspirerend. Het landschap ligt er in lagen over elkaar en elke laag vertelt zijn eigen verhaal. Sommigen ervaren er een stapeling van energieën.

 

Door het buurtschap Westergeest lopen we in de richting van Den Hoorn. In de weilanden achter boerderij Novalis stuiten we tot onze verrassing op een labyrint, de oudste vorm van het doolhof. Maar hierin kun je niet verdwalen. Het is de weg die je er doorheen leidt. Telkens als je denkt dat je er bent, neemt het pad weer een onverwachte wending. Uiteindelijk brengt het slingerende pad je in het midden. Om weer buiten te komen moet je vervolgens dezelfde weg terug volgen. Het is een vorm van loopmeditatie, een zogenaamd zeven-paden labyrint, met in het midden een open ruimte: het zonnewiel. Deze klassieke vorm is ook bekend van het eiland Kreta, waar het oudste labyrint zijn naam ontleent aan het familiewapen van koning Minos: de dubbele bijl, ofwel het Griekse labrys. Hoewel labyrinten al meer dan 4000 jaar oud zijn, worden ze nog steeds gemaakt. Het is een tijdloos symbool om te ervaren. Een oud gebruik krijgt nieuwe betekenis.

 

Op mijn gang door het Texelse labyrint volg ik de rode draad die over het erf van de boerderij loopt. Het labyrint zelf ligt in de stille open ruimte. Er gelden maar een paar regels: Ga vanuit rust. Zoek je eigen tempo. Loop met aandacht. En wees open en ontvankelijk.

 

Het zou een mooie Pinkstertraditie kunnen zijn. Aan deze voorjaarsdagen die overwegend buiten worden gevierd, hebben zich in de loop der tijd immers allerlei feesten en gebruiken gehecht die losstaan van de kerkelijke pinksterviering. Het verhaal van de uitstorting van de Heilige Geest ontstijgt het begrip van steeds meer niet-gelovigen. Het maakt ons als dolende mens des te ontvankelijker voor een aards gebruik dat nieuwe inspiratie biedt.

 

____________________________________

 

Achterom kijken

 

Het is fijn om de paden die je in het leven bent gegaan af en toe nog eens langs te lopen en in gedachten stil te staan bij ontmoetingen die een grote indruk op je hebben gemaakt. Zo moet ik, altijd als ik langs landgoed De Horst in Driebergen rijd, denken aan mijn ontmoeting met Harry Starren, destijds directeur van managementcentrum De Baak. We spraken elkaar een jaar of tien geleden over het thema verlangen en hoe dat de drijfveer voor ons handelen vormt. Halverwege het gesprek stond hij op om iets te laten zien. We liepen naar het geasfalteerde pad dat het landgoed doorkruist. In plaats van recht in het midden, slingerde een doorgetrokken witte lijn grillig over de weg. ‘Dit is waar verlangen over gaat’, legde Starren uit. ‘Je komt binnen op een rechte weg, maar al kort daarna is er de verleiding van het pad af te raken.’ Inderdaad laten bezoekers die landgoed De Horst oprijden zich in eerste instantie ertoe verleiden om de slinger in de weg te volgen. Tot ze de consequenties onder ogen krijgen. Wie zich al te zeer door het verlangen van het slingerende pad laat leiden, loopt het risico tegen een boom te rijden. ‘Verlangen moet je durven’, zei Harry Starren. Zelf kent hij ook het verlangen om te verdwalen en nergens heen te hoeven. Maar tegelijkertijd wil hij wel attent en alert blijven. Tegenwoordig zit hij naast zijn schrijver- en docentschap de Federatie Dutch Creative Industries voor. Naarmate hij ouder wordt, durft hij steeds meer aan zijn verlangens toe te geven. Dat heeft naar zijn idee allemaal te maken met zelfacceptatie. Volgens Starren is het de ironie van het bestaan dat wij steeds maar weer op zoek gaan. Je zoekt het buiten je, terwijl het bij je is. ‘Maar straf jezelf niet,’ waarschuwde hij me destijds, ‘want de mens ís nu eenmaal zijn verlangen. Je bent op weg.’

Anders maar vergelijkbaar houdt het verlangen de kunstschilder Ton Schulten in beweging. In zijn kleurrijke landschappen spelen paden vaak een voorname rol. Het zijn de wegen door het Twentse landschap zoals hij ze van kinds af aan heeft gekend. Zandpaden waarover ‘s zondags kerkgangers naar het stadje Ootmarsum trokken. ‘In Twente zijn nog veel van deze landwegen overgebleven’, vertelt hij me als ik hem na een paar jaar opnieuw spreek en naar zijn inspiratie vraag. ‘Maar als ik ze schilder worden het kleurrijke vlakjes door het landschap dat ik droom.’ Veel mensen ervaren troost in Schultens landschappen. Misschien wel door de kleurvlakken die naast elkaar staan, maar vaak ook ineenvloeien. Het pad wordt gezien als de weg over de horizon, met daarin de hoop dat die je iets goeds zal brengen. Het is voor Schulten de lange weg die we allemaal hebben te gaan. ‘Het gaat vooral om de sporen die we op zo’n zandpad achterlaten’, zegt hij met de overtuiging van iemand die weet hoe mul het zand kan zijn. ‘Daar moeten anderen ook weer doorheen kunnen.’ Waar hij ter wereld ook schilderde, altijd keerde Ton Schulten terug naar zijn roots. In Twente ligt zijn leven. Hij houdt er van de eenvoud en de degelijkheid van het landschap. De glooiingen geven hem zoveel inspiratie en adem, dat hij er zijn leven lang mee verder kan. Aan hoge bergen zegt hij geen behoefte te hebben. ‘Als er maar een horizon is, waar je overheen kunt wandelen.’

Een slingerpad door een glooiend landschap is voor mij de ultieme metafoor voor het op weg zijn. Alleen als je vooruit kijkt kom je verder. Toch geef ik mij graag over aan het verlangen om achterom te kijken.

____________________________________

 

Festivaltijd

Het is augustus als ik dit schrijf. Ons land lijkt opnieuw ondergedompeld in een festivalroes. Maar wie de online agenda’s bekijkt moet vaststellen dat het hele jaar festivalseizoen is. Nog altijd is het de meest dominante manier waarop we met z’n allen muziek tot ons nemen.

 

Nederland telt dit jaar 865 festivals met bij elkaar 18,5 miljoen bezoekers. De wereld een dansfeest, om de schrijver Arthur van Schendel aan te halen. De sfeer op muziekfestivals is heel bijzonder, hoor je van iedereen. Er is geweldige muziek, theater, eten en drank, en ‘festivallen’ blijkt ook nog eens heel goed voor je te zijn. Een onderzoek van de Universiteit van Groningen wijst aan dat jongvolwassenen, die upbeat music luisteren een gelukkiger beeld van de wereld hebben. Muziek zorgt voor de aanmaak van dopamine in de hersenen wat ons een gelukkig gevoel bezorgt en waardoor je helemaal los kunt gaan. Al is het soms ‘dansen op een vulkaan’ (De Dijk), op festivals kun je lekker gek doen, ervaar je ongekend saamhorigheidsgevoel en ben je even helemaal een met wie je totaal niet kent.

 

Er zijn ook mensen als ik, aan wie het, op een bezadigd muziekfestival in de Gelderse bossen na, grotendeels voorbij gaat. Helemaal losgaan, ik heb het nooit gekund. Ook voor mij geldt dat ik het laten vieren van de teugels nogal eng vind. Ik blijf liever als beschouwer aan de kant. Daarom lees ik momenteel Jules Evans, die in zijn boek De kunst van het controleverlies laat zien wat het belang van extatische momenten is. Met beide benen in de Hollandse klei licht de Britse filosoof zijn interesse voor extase toe tijdens Lowlands. Festivals zijn immers een en al extase.

 

Eerder deze zomer verraste de Vlaamse auteur Herman Clerinx mij met zijn boek Een paleis voor de doden, waarin hij filosofeert over de betekenis van menhirs, dolmens en hunebedden. Dergelijke megalithische monumenten waren er volgens hem niet zozeer om doden te eren, maar vooral om de leefwereld van de megalithische mens te verbeteren. Hardop nadenkend combineert Clerinx archeologische gegevens met inzichten uit de antropologie. Het valt hem op dat veel van dergelijke monumenten in regio’s staan die minder geschikt zijn voor akkerbouw, maar vooral voor grasland en veeteelt werden gebruikt. Dat geldt zowel voor het zandige heuvelland van Drenthe als voor de grazige kalklanden van het Engelse Wiltshire, waar vanaf 3100 voor Christus in verschillende fasen Stonehenge werd gebouwd. Het lijkt erop dat vooral veehoeders voor deze monumenten interesse hadden. In tegenstelling tot akkerbouwers leefden die mobiel en verspreid van elkaar. Om niet helemaal geïsoleerd te raken, hadden ze de gewoonte om regelmatig, soms jaarlijks, voor een groots feest of een festival bijeen te komen. Dan ontmoetten ze elkaar, verkochten of ruilden hun dieren omdat er nieuw bloed in hun kudde kwam en gingen ze op zoek naar een partner. Het klinkt allemaal niet veel anders dan het jaarlijkse Koefeest on Oene en Zwarte Cross. Als eenmaal de jonge dieren waren geboren hadden de veehouders tijd om rustig aan te doen. Dan was er gelegenheid tot feesten en deelnemen aan festival. Of het rechtop zetten van een megalithisch monument als Stonehenge, dat meteen kon dienen als symbool van hun gemeenschap. Zeg maar Stonehenge als een uit de hand gelopen Britse buurtbarbecue voor moderne druïden. Met zijn boek maakt Clerinx voor mij ook de Brexit een stuk beter te begrijpen. Festivals zijn van alle tijden en hebben hun plek in de eeuwige cirkel van de natuur, zoveel is duidelijk. Misschien volgend jaar de klassieke NJO Muziekzomer toch eens verruilen voor Lakedance of Burning Man.

____________________________________

Arcadia

Voor de opening van de fototentoonstelling De Waal / Bewogen van fotograaf Andrea Gulickx in het Streekmuseum in Tiel heb ik Willem van Toorn uitgenodigd. Hij is een schrijver die ik al mijn leven lang bewonder, twee keer heb ontmoet, maar nooit heb gesproken. Nu ja, één keer waarschijnlijk met een enkel woord, want in mijn boekenkast vind ik de Salamanderpocket Bataafsche Arcadia. Het is gesigneerd: Rotterdam, 20 maart 1982. Bij die Boekenweekaankoop - op de kop af 35 jaar geleden - moeten we ook iets hebben gezegd, maar meer dan het plichtmatige zal het niet zijn geweest. Ik herinner mij er althans niets van. Ook in het titelverhaal vind ik bij het herlezen geen herkenning. Wel verwondering. Het verhaal gaat over een zomerkamp in de Veluwse plaats R. Onvermijdelijk ga ik de mogelijkheden na. Als ik de schrijver op zijn woord mag geloven, is er maar één plaats die daarvoor in aanmerking komt: Renkum, een paar kilometer van mijn huidige woonplaats vandaan. Ik moet hem ernaar vragen, neem ik mij voor.

 

Als we elkaar een paar dagen later in het museum aan de Waalkade de hand drukken, is de ontmoeting allerhartelijkst. ‘Zullen we maar collegiaal jij zeggen?’ had Willem mij al per e-mail voorgesteld. Het gaat vanzelfsprekend. Vanaf een spreekgestoelte mag ik hem inleiden. Zowel zijn roman De rivier, als zijn poëzie zijn sterk verweven met het rivierenlandschap en de transparantie in het werk van schilder Willem den Ouden. Beiden hebben het kwetsbare en de schendbaarheid van het vertrouwde in weloverwogen woorden en ijle tinten gevat. Hoewel Van Toorn al weer jaren in Frankrijk woont, en daarvoor in Amsterdam, is dit - of hij wil of niet - zijn echte thuis. Hier op de dijk in Tiel heeft hij zichzelf in proza vastgelegd. Er was geen fotograaf bij, maar in zijn herinnering vormt zich toch een foto met daarop zijn ouders, zijn broers en zusje, en hijzelf, op enige afstand en in korte broek. Ik lees een passage voor uit De rivier: ‘Boven ons de enorme blauwe lucht met lui voortdrijvende opstapelingen van witte wolken. Achter ons het lage binnendijkse land, een schuur met een bemost dak, een pad naar een scheef hek tussen hoge bloeiende kersenbomen. Voor ons, onderaan de steile helling, de golvende groene uiterwaarden, de krib met zijn grijze stenen en zijn driehoekige houten baken, dan de rivier blikkerend in de zon.’ Het is deze reflectie op de grens van land en water die door Andrea Gulickx in een bewogen zachtheid is vastgelegd. Foto’s die vanaf het eerste tot het laatste beeld het woord poëzie afdwingen. Na mij leest Willem gedichten uit zijn bundel Dooltuin, die hij meer dan twintig jaar geleden schreef bij litho’s van Den Ouden. De strijd tegen de dijkverzwaringen was toen in volle gang. ‘Attila op de bulldozer’ hapte bomen uit het landschap en versneed het landschap zoals het op de tekentafels van Rijkswaterstaat was bedacht. Naast Van Toorn en Den Ouden, waren het de graficus Gerrit Noordzij en politica Ria Beckers die er zich met kracht tegen verweerden in een op voorhand ongelijke strijd. Van die bewogen tijd is in de foto’s van Andrea Gulickx niets meer zichtbaar. Zij heeft er haar eigen beweging overheen gelegd: als de ‘zachte krachten’ uit het gedicht van Henriëtte Roland Holst.

 

Als de tentoonstelling is geopend, laat Willem mij kennismaken met zijn vrouw Ineke Holzhaus, ook een dichter. Ineens worden lijnen in het literaire landschap zichtbaar. We hebben het over Poetry International en bevriende dichters van het eerste uur, wier stemmen ijl en breekbaar zijn geworden. Het is druk in de expositieruimte. Uit de vele reacties spreekt bewondering voor het werk. Als de middag voorbij is, ben ik Willem vergeten te vragen naar dat zomerkamp in het plaatsje R. Maar ineens is mij het Arcadia in het werk van Willem van Toorn duidelijk. Uiteindelijk is het de herdersroman, waarin het eenvoudige landleven wordt geïdealiseerd. Het zijn de auteur, zijn geliefde en hun vrienden die er keer op keer in optreden.

 

____________________________________

 

In the bleak midwinter

Afgelopen week wandelden wij door Den Haag vanuit het Zeeheldenkwartier richting centrum. In de buurt van het Lange Voorhout rook het naar vuurkorven en broodjes beenham. Voor we het wisten werden we in een stroom van mensen meegenomen door een poort die toegang gaf tot een rij betimmerde pagodetenten. Links en rechts stonden luxe goederen en etenswaren verleidelijk uitgestald. Natuurlijk was ook de glühwein rijk voorradig, al gaf de temperatuur daar allerminst aanleiding toe. Al na honderd meter hielden we het voor gezien. Elk evenement heeft zijn doelgroep en hier waren wij duidelijk niet op onze plaats. Toch zat het gevoel op een verkeerde bestemming te zijn beland niet zo zeer in de kerstkramen met parfums en winterse merktruien, maar veel meer in de organisatie er omheen: de geüniformeerde beveiligingsmedewerkers zonder kerstmuts, de hoge hekken die het evenement aan alle zijden afbakenden, het opvallende canvas met de tekst emergency access. Het maakte deel uit van een entourage die in mijn herinnering nooit bij de verwachtingsvolle weken voor kerst heeft gehoord. Of is mijn geheugen te selectief geworden? Laat ik mij al te graag meenemen in de nostalgie van een wereld die nog te overzien was? Is het mijn naïviteit - die ik koester om niet meegenomen te worden in de vrees voor wat dagelijks via het nieuws over ons wordt uitgestrooid? In deze adventstijd leven veel mensen meer dan ooit met de ondefinieerbare angst voor wat wellicht zou kunnen komen. Jan Terlouw verwoordde het onlangs even alledaags als menselijk: we zijn het touwtje uit de brievenbus kwijtgeraakt.

 

Drie dagen later word ik om zeven uur gewekt met het nieuws van een kerstmarkt bij de Berlijnse Gedächtniskirche. Meteen zie ik het beeld van mensen op het Lange Voorhout voor me en ik vraag mij af hoeveel ingangen er waren voor hulpdiensten. Moeten we voort met de gedachte dat een kerstmarkt voortaan een risicozone is? Als de wereld zich in de dagen voor kerst zo donker kleurt, waar moet je dan het licht nog vinden? Het touwtje van Terlouw, hoe komen we daar ooit weer bij?

 

‘En toch wordt het elke dag weer ochtend’, zegt een stem op de radio. Ik besluit mijn werk te laten liggen en een winterwandeling te maken. De zonnige dag die voorspeld is blijkt een paar kilometer van huis verscholen achter een winterse mist. Ik rijd naar het Veluwse dorp Uddel en verken in de volkomen stilte die boven de berijpte zandgronden hangt een nieuw pad. Het slingert zich door een landschap waarin duidelijk de rudimenten van de laatste ijstijd waar te nemen zijn. Ik passeer de Hunneschans die nog altijd voortleeft in Veluwse volksverhalen, het mysterieuze bouwwerk dat wordt toegeschreven aan een primitieve horde der Hunnen. Talloze schoolreisjes gingen er ooit naar het Uddelermeer, maar gezwommen wordt er allang niet meer. De schapen die ik op mijn pad passeer hebben bezit genomen van de vorstheuvel. Niets lijkt ze in de weg te staan. Ik wandel over de hei en door het bos langs het Kroondomein. De grijze lucht hangt laag over de velden. Nergens komt de gedachte aan een dreigingsniveau in mij op. Als ik mijn best doe om even niet beter te weten, lijkt de wereld volmaakt. Het is niet de nostalgie, denk ik in een helder moment, maar het onbevangene dat je heel moet houden.

Bij een tuincentrum in de verte brandt een slinger van lampjes in de kerstbomen. Wie de donkere dagen uitkiest om op pad te gaan, loopt uiteindelijk het licht tegemoet.

____________________________________

 

Moeder en zoon

‘Wij gaan eropuit’, zegt mijn moeder als ik haar kom ophalen in het verzorgingstehuis waar ze sinds kort woont. Ik pak haar hand en we wandelen de gang uit. Kordaat zet ze haar beste been voor. Het is een zomerse dag. In haar nieuwe bestaan worden die veel minder wandelend beleefd. Er hoeven geen boodschappen meer te worden gedaan of bezoekjes afgelegd. Het vaste pad leidt in haar nieuwe omgeving van haar eigen vertrek naar de gezamenlijke huiskamer. Voor eropuit gaan is geen noodzaak meer. Alles heeft ze in huis, tot aan de dominee en de kapster. ‘Wat een luxe toch’, hoor ik mijn moeder geregeld zeggen. De keerzijde blijft onbelicht. Vandaag maken we weer eens een ommetje, een blokje om het huis en de naastgelegen plas. ‘Wat een geweldig weer’, zegt mijn moeder. Ik wijs op de huizen waarvan ze meestentijds alleen de achterkant ziet. Oriëntatie is een vermogen van voorbijgaande aard. Het leven kent steeds meer momenten van verwondering. ‘Ik dacht al’, zegt ze als ik uitleg dat we van een afstand naar haar nieuwe thuis kijken. We nemen plaats op een bankje in de schaduw. Onder een treurwilg liggen eenden zich te poetsen. We beschouwen wat nooit eerder is opgevallen: de slapende houding van een wilde eend. ‘De natuur is toch prachtig’, stelt mijn moeder vast. We zitten een tijdje, meer niet. Het genoegen dat er uit spreekt heeft geen woorden nodig. Het is een heel basaal verhaal. Als een meeuw met veel kabaal tussen de meerkoetjongen landt, stuiven die geschrokken uiteen. Hun poten haast groter dan het lichaam dat ze dragen. Mijn moeder kijkt verontwaardigd: ‘Overal heb je baas boven baas.’ Haar woorden neem ik steeds zorgvuldiger in mij op. Gesprekken zijn veranderd in af en toe een puntige beschouwing. Ik moet denken aan het boek waar Arnon Grunberg aan werkte toen zijn moeder plotseling overleed. Kort daarvoor was hij weer bij haar gaan wonen. Hij beschouwde het aanvankelijk als een ‘project’, zoals dat eerder gold voor Irak en Guantánamo. ‘Maar misschien is dat onjuist, misschien is het een eindspel’, schreef hij in een Voetnoot op de voorpagina van de Volkskrant. In februari 2015 overleed Hannelore Grünberg-Klein op 87-jarige leeftijd. Grunbergs aangekondigde roman over haar, die op Moederdag moest verschijnen, werd uitgesteld. In plaats daarvan verschenen haar memoires: Zolang er nog tranen zijn. De literatuur is vol van boeken over moeder en zoon, maar niet altijd uit sympathie. Adriaan van Dis beschrijft in Ik kom terug het boosaardige pad dat hem terugleidde naar het verpleeghuis van zijn moeder. In Magdalena onderwierp Maarten ’t Hart de ‘wonderlijke eigenaardigheden’ van zijn moeder aan een nader onderzoek. Verhalen die zich nauwelijks laten vergelijken. Iedereen kiest zijn eigen woorden, ziet zijn eigen moeder. ‘Zullen we verder gaan?’, vraag ik. We staan op en ik breng mijn moeder thuis. <<

 

Bovenstaande column verscheen afgelopen zomer in ‘Levenspaden. Over wandelen en onderweg zijn’ bij Uitgeverij Ten Have. Wim Huijser schreef dit boek samen met Marinus van den Berg (schrijver en veelgevraagd spreker over omgaan met de dood). Zij delen een voorliefde voor wandelen en voor het lezen van literatuur. In ‘Levenspaden’ overdenken ze om beurten wat de betekenis is van deze twee activiteiten - in persoonlijke, maar ook in universele zin. Hoofdthema is dat onderweg zijn een prachtige manier is om jezelf te ontwikkelen, en stil te staan bij je eigen levensloop.

 

____________________________________

Loopvlak

Een paar dagen wil ik op Vlieland zijn. En wel zo verlaten mogelijk, in het Posthuys. Wie nog westelijker gaat, loopt al gauw tegen de rode vlaggen van Vliehors op. Je kunt het ongeluk treffen dat Defensie daar net actief is; het is het enige gebied in Nederland waar vliegeniers mogen oefenen met munitie en explosieve ladingen. Een paar jaar geleden raakte een F-16 in plaats van het gronddoel de controletoren van het oefenterrein. Wonderlijk genoeg raakte niemand gewond. Toch beloofde de luchtmacht een onderzoek in te stellen. Het lijkt me verspilling van tijd. Wat valt er te onderzoeken? Iemand schoot mis, zoveel is zeker.

 

De dagen dat ik op de westelijke helft van Vlieland bivakkeer is het er nagenoeg stil. Wie toch nog verder wil kan in het weekend het drenkelingenhuisje bereiken. Dat staat al ruim een eeuw volkomen verlaten tussen paal 35 en 36. Ook het huisje zelf staat op palen. Rondom staan voorwerpen die door jutters zijn gevonden. Ze vormen wat de jutschutting wordt genoemd. Behalve hout, horen soms ook computermonitors en bloemengieters tot de strandvondsten. Ooit diende het daadwerkelijk als vluchtplaats voor gestrande schipbreukelingen. Behalve droge kleren, water en voedsel was er de telefoonverbinding met het voormalige Posthuis. Sinds een jaar of twintig is deze plek ook een officiële trouwlocatie. Ik stel me de romantiek van twee individuen voor onder een immense hemel. Schuilend bij elkaar in een leegte die zich uitstrekt tot zover het oog reikt. Verenigd en beschermd tussen het bijeen gedreven wrakhout van de wereldzeeën.

 

Maar romantiek heeft in onze tijd al gauw een praktische insteek. Zo lees ik dat het drenkelingenhuisje te bereiken is met de Vliehors Expres, een grote truck met acht stoere banden. Moeiteloos rijden ze - er zijn er twee - over het zand naar het uiterste puntje van Vlieland. De grootste kracht van de voertuigen schuilt echter in het breekbare spoor dat ze nalaten: poëzie. Sinds 2004 kerft de eigenaar jaarlijks een nieuw gedicht in de achterbanden van een wagen. Zo’n 5,5 miljoen keer wordt deze tekst van 112 tekens verdeeld over twee regels in het zand gedrukt. Zoals deze tekst van eilanddichter Gerda Posthumus: ‘Een zin nat van herinnering aan overvloed. / Zomaar een zee gevuld met golven zonnegloed.’ De woorden worden vereeuwigd in het zand. Tot het opkomende tij de vergankelijkheid bewijst. Maarten Nijman - een van de initiatiefnemers - schreef in het geheim een huwelijksaanzoek in een band. Drie dagen reed hij ermee rond. Toen zijn geliefde onduidelijke sms-berichten uit het dorp ontving, ging ze toch maar eens op het strand kijken. Heeft het huwelijk dat er op volgde zich ook in het drenkelingenhuisje voltrokken? Ik weet het niet. In romantiek kun je ook doorschieten.

 

Het snijden van de gedichten is handwerk, evenals het schrijven. Dat laatste heeft tegelijk het karakter van een wedstrijd. Zo’n achthonderd inzendingen komen er jaarlijks op binnen. Ninja Luijten is deze zomer de winnende dichter. Het is haar tekst waaraan mijn blik blijft haken als ik vanuit het Posthuys over het Pad van Zes richting strand loop: ‘Heen en weer rollen de golven, spel van natte zoen. / Brekend schuim fluistert bevlogen; leef nu want nu wordt toen.’ Het duurt even voor ik weet wat ik lees, en begrijp waar ik naar kijk. Vanzelfsprekend maak ik een foto. Het verhaal van het besneden loopvlak van de kolossale banden in het mulle zand heb ik dan nog niet meegekregen. Dat komt later. Met een beetje kosmische wil kan ik in de dichtregels nog een boodschap verstaan: Leef nu. Doelen liggen in het verschiet. Het is een kwestie van focussen. De kunst is echter om het eerst in het vizier te krijgen. Wie niet goed richt schiet mis. Logica waar ook bij Defensie niets aan te onderzoeken valt. Op het moment dat ik meende het veer naar Vlieland te moeten nemen, werd een deel van mijn verwachting al vervuld. Nu ik hier ben geef ik me over aan de verwondering. Als de poëzie het pad bepaalt, is er geen romantiek tegen opgewassen.

 

____________________________________

Maasoever

Rotterdam, stad van mijn vader is de titel van een fotoboek dat ik mijn vader ooit cadeau gaf. Sindsdien is het een bijna vanzelfsprekende zinsnede die ik gebruik om mijn verhouding tot de stad aan te geven. Ik ben er niet geboren, maar werd er wel mee grootgebracht. Het boek van Joop Mekes laat een voor mij vrijwel onbegaanbaar Rotterdam zien, met uitsluitend foto’s uit de eerste decennia van de twintigste eeuw. De spiegel in de tijd is geplaatst kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Het Witte Huis, door sommigen beschouwd als de eerste wolkenkrabber van Europa, is mijn enige referentiepunt. Maar ook mijn vader moet met het boek slechts een beperkte tocht door het verleden hebben kunnen maken. Hij was nog geen tien toen zijn stad voor goed veranderde.

 

Vijfentachtig jaar later, als Marianne en ik een dagje Rotterdam doen, ontkom ik er niet aan af en toe door zijn ogen rond te kijken. Het is al bijna tien jaar geleden dat ik hem op een voorjaarszondag in een rolstoel via de Parklaan naar de Veerhaven reed. Het zou zijn laatste bezoek aan de Maas zijn. We dronken koffie in het Wereldmuseum. Het moment herleeft als we, lopend over de Willemskade, naar het indrukwekkende panorama op de Kop van Zuid kijken. New Orleans, Maastoren, De Rotterdam, hij heeft ze niet meer zien verrijzen. We varen over naar Hotel New York en ik kijk met dezelfde verwondering en gretigheid rond als bij ons eerste bezoek aan de Big Apple. Een zoekende toerist in een niet meer vanzelfsprekende omgeving. Over de Rijnhavenbrug wandelen we naar Katendrecht. Ooit het toponiem voor waar je niets te zoeken had, nu een ontwapenende krachtplek vol jonge ondernemingslust, ambachtelijke en eerlijke producten. Hoeren en criminaliteit zijn ingewisseld voor boerenkaas en versgemalen koffie. In Fenix Food Factory maken we kennis met de boekhandelaren Bosch & De Jonge die in een hoek van de loods enkele weken eerder hun nieuwe avontuur zijn begonnen. We kopen het net verschenen Go Set a Watchman van Harper Lee, een boek dat ook via een onvoorzien spoor in een nieuwe eeuw belandde. Bij de Kaapse Brouwers laat ik een glas ‘Kaapse Harrie’ tappen, een van de ‘stoere non-conformistische stadsbieren’. De lucht ademt mout. Wat had ik hier graag met mijn vader rondgelopen. Hij zou me gewezen hebben op de verrassende leegte van de Rijnhaven waar hij ooit voor zijn werk over binnenvaartschepen klauterde. Dynamiek die zich verplaatste, perspectief dat kantelde, verhalen die zijn ingehaald.

 

Via de Erasmusbrug lopen we terug naar de noordelijke Maasoever. Aan de Wilhelminakade ligt de Wind Surf, het grootste zeilcruiseschip ter wereld. Het trekt veel bekijks, maar mijn oog is meer gericht op de nietigheid van het Witte Huis aan de overkant. Net als de wereld lijkt hij beduidend klein geworden. ‘Heel de aarde is je vaderland’, citeert de gevel van de bibliotheek Erasmus.

 

____________________________________

Uitgesteld vallen

Het nieuws dat dichter en programmamaker Wim Brands is overleden, komt bijna als een dief in de nacht. Om half elf, bij aanvang van het radioprogramma Opium op 4, is het een kort bericht dat vooralsnog sprakeloos maakt. Er ligt bij de presentator van dienst geen tekst voor klaar. Ook thuis op de bank vind ik geen woorden voor de koude schrik die me overvalt. In stilte volg ik hoe het doodsbericht zich over Twitter verspreidt. Het medium biedt geen ruimte voor nuance, maar zo kort na het nieuws lijkt daar nog geen behoefte aan. Wat ik zie lees ik als woorden recht uit het hart.

 

In de daaropvolgende dagen heeft de schok plaatsgemaakt voor verdriet en verslagenheid. Ineens is het alsof Brands poëzie overal en altijd voor het grijpen lag. De behoefte aan citeren is groot: ‘Ze naderden mij. / Zonder schaduwen. / Het was nacht. / De schaduwen zijn dan vrij. / Zonder meesters naderden ook zij mij.’ Ik zoek oude uitzendingen van VPRO Boeken op. Op NPO Cultura zie ik Brands met poëzie terug, opgenomen tijdens de laatste ‘Nacht van de Poëzie’. Ik weet dat het zo niet werkt, maar met de kennis van nu lijkt elk gesprek een schaduw vooruit te werpen. Zoals in de laatste regels van K. Schippers: ‘Iemand niet mogen zien. / Iemand in het geheim zien. / Iemand nooit meer zien.’ Ook als Pieter Boskma en Hester Knibbe aan tafel zitten lijkt het thema dood en rouw de boventoon te voeren. Het is een thematiek waar je knettergek van kunt worden, zegt Boskma. ‘Het kan bezit van je nemen. Je moet er niet in zwelgen.’ De naam van Joost Zwagerman valt, die juist die week is begraven. Aan de referentie naar Brands eigen poëzie valt als kijker niet te ontkomen: ‘Achteraf is alles / altijd eenvoudig’.

 

Ik kijk ook naar een uitzending van Boeken op reis, waarin Wim Brands in Brooklyn, New York de Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver ontmoette. Taboes worden in haar boeken niet geschuwd. Voor haar roman Big Brother gebruikte zij het verhaal van haar broer Greg die stierf aan de gevolgen van overgewicht. Als ik Brands met de schrijfster door de straten van Brooklyn zie gaan, valt mij zijn manier van lopen op. Die komt op mij over als de gang van een niet-loper. Ik kan het niet anders duiden. Het lijkt niet de tred van iemand voor wie wandelen een doel is, voor wie het einde van het pad een richtpunt is.

 

Een paar dagen later kijkt schrijver Thomas Verbogt in Buitenhof terug op de vriend die hij vijfentwintig jaar ook als dichter bewonderde en wiens poëzie tegelijk scherp en ogenschijnlijk licht was. Op het gevaar af eveneens in psychologie van de koude grond te vervallen, probeert hij de onrust die Wim Brands kenmerkte te duiden. Genieten van zon, zeelucht en een glas wijn kon heerlijk zijn, had zijn vriend beaamd. Maar nooit te lang, dan werd het gevaarlijk. Als illustratie bij de eenvoudige, heldere zinnen in Brands poëzie, memoreert Verbogt enkele woorden uit het gedicht ‘Vallende Vaders’. ‘Lopen is een uitgesteld vallen,’ wist Brands. Wie zich tot poëzie wendt, ontkomt niet aan interpretatie. In wat een kleine anekdote lijkt, gaat een gevaarlijke afgrond schuil.

 

Voor eenzame doden is er in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam de Stichting Eenzame Uitvaart. Op 6 januari van dit jaar was Wim Brands er voor het laatst ‘dichter van dienst’. In Uitvaartcentrum Zuid las hij een in memoriam-gedicht voor iemand die niet werd gemist, een buitenstaander. ‘Verbeelding schiet altijd tekort’, waren zijn laatste woorden. De diepte is onpeilbaar.

 

____________________________________