wiedenkjedatjebent
SiteLock

© BewustZijnsWerk 2019

Wie denk je dat je bent?

Voorpublicatie | door Justus Kramer Schippers

____________________________________

Weten we wie we zijn? Daarover valt veel te filosoferen. Het is de kernvraag waar de leer van de beroemde Indiase leraar Sri Nisargadatta over ging.  In zijn nieuwe boek laat Justus Kramer Schippers er zijn eigen gedachten over gaan.
 
Wie denk je dat je bent?
De vraag die opgeworpen wordt in ‘Vingerwijzingen’, de door Ramesh S. Balsekar geschreven compacte weergave van de leer van Sri Nisargadatta Maharaj, luidt: ‘Wie ben je dan?’ Het directe antwoord van Nisargadatta Maharaj is, dat je bent wat je ook was voordat dit lichaam met bewustzijn tot leven kwam, wat je 100 jaar geleden was. En wat je over 100 jaar bent. Deze uitspraak lijkt een innerlijke tegenstrijdigheid te bevatten, immers, hoe kun jij er zijn voordat of nadat jij er was? Uiteraard is dat niet wat Nisargadatta Maharaj in gedachten had toen hij deze vraag stelde. In feite is deze vraag een uitnodiging om op onderzoek te gaan naar wie of wat je eigenlijk bent, zonder a priori ervan uit te gaan, dat deze vraag te beantwoorden zou zijn. Om dat in het begin alvast maar duidelijk te stellen: op deze vraag is geen antwoord te geven. En dat is ook niet de bedoeling. De reis is ook hier belangrijker dan het doel!


Graag nodig ik u uit om een dergelijke onderzoekingstocht uit te voeren. Laten we beginnen met het meest voor de hand liggende: ons lichaam. Zijn wij ons lichaam? Nee toch zeker, alle cellen van ons lichaam worden met een grote regelmaat vervangen en het lichaam van vandaag is zeker niet het lichaam van gisteren of eergisteren of van morgen en overmorgen. Mochten we denken dat we ons lichaam zijn dan zou mijn vraag luiden: maar welk lichaam dan? Als ik
het lichaam van gisteren zou zijn, dan betekent dat dat ik vandaag niet zou bestaan. Dit is in strijd met mijn ervaring. Gisteren wist ik dat ik bestond en vandaag besta ik nog steeds. Dat wat mij de overtuiging geeft dat ik besta, is onveranderd aanwezig en is zeker niet mijn lichaam.


Wat ben ik dan wel? Mijn geest misschien? Laten we gemakshalve even aannemen dat mijn geest bestaat uit mijn denkvermogen, mijn ervaringen, geheugen, overtuigingen, voor- en afkeuren. Laten we dit als verzameling maar het ego noemen. Of dat strikt wetenschappelijk gezien de juiste benaming is doet minder ter zake nu de lezer in elk geval zich een beeld kan vormen van
wat ik ermee bedoel. Dus zijn wij ons ego? Stel dat ik u zou vragen te omschrijven wie u was toen u 7 jaar oud was. Er zou een omschrijving komen van een kind met bepaalde eigenschappen, met bepaalde kennis en een aantal overtuigingen, die in veel opzichten een getrouwe weergave van de overtuigingen van de ouders blijken te zijn. Als ik u nu dezelfde vraag zou stellen, maar dan toen u 17 jaar oud was. Wat voor beschrijving krijgen we dan? Vermoedelijk zijn de overtuigingen 180 graden gedraaid (als u net zo’n lastige puber was als de schrijver). En als ik u wederom dezelfde vraag stel, maar nu te beantwoorden vanuit uw huidige levensfase. Er zal weer een totaal ander persoon ontstaan in de beschrijving. Mijn vervolgvraag is nu: wie bent u?
Bent u het kind, de tegendraadse puber of de volwassene? Waar we tot nog toe over gesproken hebben zijn allemaal veranderlijke zaken. Ik kan niet tegelijk kind, puber en volwassene zijn. Naar mijn mening ben ik dus geen van drieën, immers, zolang ik leef heb ik een soort onveranderlijk en standvastig ik-besef.


Maar wat is dat? Het is tijdloos, het was er zolang ik leef en zal er zijn zolang mijn lichaam leeft. Er is daarin geen verschil tussen gisteren, vandaag en morgen. Dit onveranderlijk aanwezige is, wat Nisargadatta het Ik-Ben noemt. Het is het ‘zijn’, gekoppeld aan een weten dat je bestaat. Het is dus ‘bewust’ zijn. Het is het punt van waaruit de wereld waargenomen wordt, vanaf het moment waarop je wakker bent. Het is het gewaarzijn, dat ook gedachten waarneemt terwijl het er niet bij betrokken is. Dat is zintuiglijk ervaren, waarnemen, zonder waarnemer, zonder een ‘ik’, zoals wanneer u luistert naar en opgaat in muziek. Dan is er ook geen ‘ik’. Die schijnbare ‘ik’ komt pas
wanneer er gedacht wordt over de ervaring, bijvoorbeeld ‘Ik vind dit mooie muziek’. Maar op dat moment wordt niet meer naar de muziek geluisterd. Het is het een (luisteren zonder ik) of het ander (denken over de muziek door het schijnbare ik). Waarnemen is dus een zintuiglijk proces zonder een ‘ik’; denken over waarnemingen met het geheugen creëert een schijnbaar ‘ik’. Maar dat pseudo-‘ik’ is aan verandering onderhevig: ervaringen en overtuigingen veranderen, het geheugen is selectief en informatie wordt daarin vervormd of totaal vergeten. Dat pseudo-‘ik’ is dus in tegenstelling tot de ‘Ik-Ben’-ervaring niet standvastig en dat ‘ik’ zijn we dus niet ook al lijken we het soms te zijn. Als we nu dus gaan onderzoeken wat dit ‘Ik-Ben’ is, dan zullen we tot de
slotsom komen dat het feitelijk het onpersoonlijke bewuste vermogen tot waarnemen is. Dit Ik-Ben neemt dus objecten waar en is zich daarvan bewust. Wat zich moeiteloos bewust is, is het ‘IK’ en wat de moeiteloze waarneming doet is het ‘BEN’. Dit moeiteloos waarnemen van objecten is een kwaliteit en vermogen dat in elk mens aanwezig is. Dat vermogen delen we als het ware
met elkaar. In dit verband is het nuttig te weten dat je lichaam, je ego (het geheel van gedachten, herinneringen, verwachtingen, overtuigingen et cetera) allebei objecten zijn, want ze worden waargenomen. Hieruit volgt dus ook weer dat we onmogelijk ons lichaam of ons ego kunnen zijn omdat we niet kunnen volhouden dat hetgeen waarneemt, tevens het waargenomene is, subject kan niet ook object zijn.


Wij zijn dus het bewuste waarnemen en niet de waargenomen objecten. Wat dat waarnemen is, hoe het ontstaat en functioneert kunnen we onmogelijk waarnemen. Immers, dat zou hetzelfde zijn als proberen zonder spiegel je eigen oog te zien. Wij zijn dus het waarnemen of beter dat wat dat waarnemen mogelijk maakt en dat moeiteloos tot stand komt, maar we kunnen onmogelijk
weten wat dat is. In wezen kun je alleen uitdrukken wat het niet is, waarmee dan tevens duidelijk is gemaakt waarom in Advaita zo vaak in negatieven wordt gesproken (niet dit, niet dat, noch niet-dit, noch niet-dat). Alles wat waarneembaar is zijn we niet. Wat we werkelijk zijn, en dus ook wat jij bent, daar kunnen we ons niet van bewust zijn.


Boekfragment uit:
Wie denk je dat je bent?| Justus Kramer Schippers | Prijs: € 19,90 | www.samsarabooks.com

___________________________________

Naar het artikelenoverzicht