BZO23vangogh

BewustZijn Online

Door Dik Goudsblom

De expositie ‘De Waanzin nabij’ is al afgesloten, maar verreweg het meeste van het getoonde - de schilderijen die Van Gogh in de inrichting maakte, getuigenissen van zijn behandelaren, de (vermoedelijke) revolver waarmee hij zich suïcideerde - zullen permanent of vaak in het Van Gogh Museum te zien zijn. Dat heeft ook het leeuwendeel van zijn correspondentie (vooral met broer Theo) in bewarin,g waarvan meerdere compilaties en ook complete uitgaven te verkrijgen zijn; ze zijn overigens ook integraal, in het Engels, op internet te vinden.

Ik heb gebruik gemaakt van de publicaties bij de twee genoemde tentoonstellingen: ‘Dossier Van Gogh Gek of Geniaal Candide’ 2010 en ‘De Waanzin Nabij - Van Gogh en zijn ziekte’ Nienke Bakker Louis van Tilborgh Laura Prins Mercator Fonds / Van Gogh Museum Amsterdam 2016 en daarnaast van Jan Hulsker ‘Lotgenoten Het leven van Vincent en Theo van Gogh’ Agathon 1985.

____________________________________

 

De waanzin nabij - over Vincent van Gogh

 

In 2010 werd in Het Dolhuys, museum voor psychiatrie te Haarlem, een expositie georganiseerd met de naam ‘Van Gogh, gek of geniaal?’ En afgelopen zomer was in het Van Goghmuseum te Amsterdam ‘De waanzin nabij’ te zien, opnieuw een tentoonstelling waarin de worsteling van de kunstenaar met zijn psychische problemen en crises centraal stond. Door datzelfde museum werd ook een begeleidend symposium georganiseerd, waarin specialisten uit binnen- en buitenland zich bogen over de vraag: wat was er aan de hand met Van Gogh? Wat was zijn diagnose? Die vraag is bepaald niet nieuw; uiteraard werd ze ook gesteld door de verschillende artsen die hem tijdens zijn verblijf in ziekenhuis en gesticht behandelden en vooral na zijn dood.

 

Tot op de dag van vandaag gaat het diagnosticeren gestaag door. Zo is er (mogelijk) sprake geweest van epilepsie, schizofrenie, alcoholvergiftiging, depressie, borderline persoonlijkheidsstoornis, cyclische psychosen, bipolaire stoornis - om de belangrijkste te noemen. Tijdens de persbijeenkomst van genoemd symposium zag ik voor- en tegenstanders van de theorie dat een en ander vooral veroorzaakt was door een koolmonoxide vergiftiging (eind 19e eeuw werd in het Zuid-Franse Arles, waar de kunstenaar toen woonde, gasverlichting - die soms gebrekkig functioneerde - aangelegd) vurig met elkaar in discussie gaan. Duidelijk is in elk geval dat Van Gogh leed, érnstig leed. Uit verschillende biografieën, vooral gebaseerd op de beroemde briefwisseling tussen hem en zijn broer Theo, komt een man naar voren die nooit gemakkelijk leefde, armoede kende en sombere stemmingen had; die niet is staat leek een gezonde relatie met een vrouw aan te gaan en daarom zijn heil zocht bij prostituees. Iemand die zichzelf zag als ‘alcoholist in wording’. Maar ook een keihard en geestdriftig werkende kunstenaar, bevlogen en in kleine kring gewaardeerd en geliefd.

 

Eind 1888, enkele dagen voor kerstmis, ging het echter helemaal mis. Na een ruzie met Paul Gauguin, de schilder met wie hij hartstochtelijk een co-kunstenaarschap zocht dat tot mislukken gedoemd was, sneed Vincent zich een oor af. En joeg daarmee vervolgens een meisje in een bordeel - aan wie hij het schonk, de stuipen op het lijf. In volkomen verwarde toestand werd hij in het ziekenhuis van Arles opgenomen en in een isoleercel gestopt. ‘Op grond van alle gebeurtenissen mag worden verondersteld dat Vincent lijdt aan aanvallen van epilepsie die zich manifesteren in acute waanzin, met visuele en auditieve hallucinaties, die hem ertoe gebracht hebben zijn oor af te snijden…’ schrijft arts Peyron. Veel van wat tegenwoordig als psychiatrische symptomen benoemd wordt, werd indertijd onder de noemer ‘epilepsie’ gestopt. Er volgde bijna anderhalf jaar van aanvallen van ‘krankzinnigheid’ zoals dat toen heette. Van Gogh hoorde stemmen, was somber, angstig, agressief, suïcidaal (probeerde verf te eten of terpentine te drinken), at z’n eigen uitwerpselen, kon totaal niet meer normaal communiceren en al helemaal niet tekenen of schilderen. Tussen de aanvallen, door knapte hij telkens op. Aanvankelijk probeerde hij ook weer thuis te wonen en werken, maar liet zich in mei 1889 toch wegens een nieuwe aanval opnemen in een inrichting te St. Remy. Daar verbleef hij een jaar. De opname was vrijwillig, maar gezien een petitie ter dwangopname die tientallen buurtbewoners ondertekend en aan de burgemeester aangeboden hadden, was dit anders tegen zijn wil sowieso gebeurd.

 

Ik wil in dit artikel niet zozeer kijken naar wat Van Goghs psychiatrische diagnose zou kunnen zijn, maar veel meer hoe hij met alles wat er op hem afkwam omging, en vooral hoe hij er welbewust over communiceerde. ‘Hij is zich volkomen bewust van zijn toestand en hij spreekt met mij over wat hij heeft gehad en waarvan hij de herhaling vreest met een treffende openhartigheid en eenvoud. “Ik ben niet in staat” zei hij mij eergisteren “voor mijzelf te zorgen en mijzelf te beheersen; ik voel me een heel ander mens dan tevoren…”’ zo schrijft bevriend dominee Salles aan broer Theo in april 1889. Salles begeleidde Van Gogh korte tijd later naar zijn opname in St. Remy: ‘Mijnheer Vincent was volmaakt kalm en heeft zelf zijn ziektegeval aan de directeur uitgelegd, als een man die zich volkomen bewust is van zijn toestand.’ En Van Gogh zelf schrijft al tijdens een eerdere korte opname in het ziekenhuis van Arles: ‘…maar nu is het zo dat ik al weer dagen lang achter slot en grendel onder bewaking in de isoleercel opgesloten zit… Als ik mijn verontwaardiging niet voor me hield, zou ik onmiddellijk voor een gevaarlijke gek gehouden worden.’ En later, begin september in het gesticht te St. Remy: ‘Zo werk ik op het ogenblik aan twee zelfportretten - bij gebrek aan een ander model - want het is hoog tijd dat ik wat aan mijn figuur ga doen (…) enfin, ik werk van de ochtend tot de avond.’ Verderop in dezelfde brief: ‘En wat te doen - deze maanden hier verder gaan of verhuizen - ik weet het niet. Want als de aanvallen zich voordoen, is het bepaald geen pretje en het risico lopen dat ik bij jou of bij anderen zo’n aanval krijg, dat is erg.’

 

Een dergelijke zelfbewuste en openhartige omgang met psychiatrische problemen was voor die tijd ongekend. ‘Krankzinnigheid’ was iets waarmee je letterlijk buiten de samenleving kwam te staan en mensen die eraan leden verdwenen voorgoed in een inrichting; een voor henzelf en de achterblijvers schaamtevolle situatie. Vincent beschouwde zichzelf niet als dusdanig: ‘…voor zover ik kan beoordelen, ben ik niet echt gek,’ concludeerde hij op 22 maart 1989 toen het weer eens wat beter ging. Maar enkele dagen eerder overweegt hij ook: ‘Als ik, laten we zeggen, voorgoed krankzinnig zou worden - ik zeg bepaald niet dat dat onmogelijk is - dan zouden ze me in ieder geval anders moeten behandelen, me weer naar buiten moeten laten gaan, laten werken etc.’

In feite komt Van Gogh over als een hedendaagse psychiatrisch patiënt die met hulp van zijn omgeving zijn situatie overziet, inventariseert welke risico’s hij loopt en wat voor hulp hij zou willen. Bijzonder is ook dat zijn omgeving, zijn behandelaren en de mogelijkheden zich daarbij lijken aan te sluiten. Wellicht ook als een reactie op de communicatieve wijze waarop hij zichzelf presenteerde, waren zijn artsen betrokken en empathisch, de al eerder genoemde dominee Salles en andere vrienden behulpzaam.

 

Uiteindelijk, toen hij na een jaar, in het voorjaar van 1890, de inrichting verruilde voor een onderkomen boven een herberg in Auvers sur l ‘Oise nabij Parijs (ook om dichter bij zijn broer te kunnen wonen) werd homeopathisch arts Gachet, die een paar straten verderop woonde, bereid gevonden om een oogje op de kunstenaar te houden. Een soort voorloper van het ‘begeleid wonen’, waarmee patiënten tegenwoordig midden in de maatschappij verblijven en toch zorg krijgen. Eigenlijk niet eens zo verbazingwekkend. Van Gogh wordt immers algemeen gezien als ‘de vader van de moderne kunst’ en was ook in dit opzicht zijn tijd ver vooruit. Hij probeerde als een (toen actueel) impressionist te werk te gaan, maar deed dit zo eigenzinnig en met een dergelijke intensiteit, dat hij min of meer ongewild het moderne individuele expressionisme uitvond dat uiteindelijk in de volgende eeuw via anderen pas echt tot bloei zou komen.

 

Ook de manier waarop hij over zichzelf, zijn leven en zijn ideeën schrijft is vooruitstrevend en zéker hoe hij met z’n ziekte, zijn gekte, omgaat lijkt helemaal hedendaags. Dat is wellicht de kracht van Van Gogh, dat hij niet alleen iemand was van wie we mooie werken kunnen zien die in een heel andere tijd en wereld zijn geproduceerd (zoals bijvoorbeeld Rembrandt), maar dat hij een individualiteit was die nog altijd naast ons staat - omdat hij met dezelfde problemen, vragen worstelde als wij nu. In dat opzicht is hij wellicht te vergelijken met Anne Frank, die net als hij haar menselijkheid onder moeilijke omstandigheden en bedreiging overeind probeert te houden door zich in haar dagboek mee te delen. Alleen komt bij Frank de dreiging van buitenaf waar die bij Vincent van binnenuit opdoemt. Dit maakt misschien begrijpelijk waarom nog niet zo lang geleden in Amerika mensen in slaapzakken voor de museumingang gingen liggen om kaartjes voor een Van Gogh tentoonstelling zeker te stellen; dat was niet alléén vanwege de prachtige schilderijen. Er is sprake van herkenning in het hier en nu.

 

Vincent leefde nog enkele maanden in Auvers. Hij had zijn leefstijl enigszins aangepast (geen alcohol meer, wat meer rust en regelmaat), produceerde ongeveer één schilderij per dag en kwam ‘normaal’ over. Adeline, de dochter van de herbergier en toen een tiener, vertelt tientallen jaren erna: ‘Toen ik veel later hoorde dat hij opgenomen was geweest in een krankzinnigengesticht in het zuiden, was ik daar heel verbaasd over, zozeer was hij mij in Auvers voorgekomen als kalm en zachtaardig. (…) Hij gebruikte nooit alcohol. Ik zeg dat met nadruk.’ Maar na een bezoek aan broer Theo, die met zijn nieuwe gezin verderop te Parijs woonde, schreef hij deze: ‘... ik probeer gewoon tamelijk opgewekt te zijn. Maar ook mijn leven is in de wortel aangetast, ook mijn schreden zijn wankel.’

 

Zoals bekend schoot hij zichzelf eind juli 1890 in een korenveld in de borst. Het is niet helemaal duidelijk wat ertoe leidde dat Van Gogh zijn leven beëindigde. Al was hij openhartig, toch kon hij eventuele overwegingen die aan zijn zelfgekozen einde vooraf gegaan moeten zijn natuurlijk niet zomaar aan zijn broer of vrienden meedelen zonder grote ongerustheid teweeg te brengen. Het kan zijn dat hij zich zorgen maakte over de financiële afhankelijkheid van zijn broer, of over de dreiging van blijvende krankzinnigheid; er is veel over gespeculeerd. En hoe triest: ook met zijn suïcide plaatst Vincent van Gogh zich in onze actualiteit. Het aantal zelfmoorden neemt in Nederland schrikbarend toe, op dit moment zijn er allerlei projecten gaande om dat te beperken. Inmiddels is wel duidelijk dat openheid, in de zin van het delen van je suïcidale gedachten en je op die manier openstellen voor hulp, het beste werkt, maar zover was men ten tijde van Van Gogh nog niet.

 

Vooral na zijn dood werd duidelijk dat Van Gogh lotgenoot was, zoals kenner Jan Hulsker het in de jaren tachtig treffend formuleerde. In de eerste plaats van zijn broer Theo, die, gebroken door het verlies van Vincent, al snel zelf zwaar psychiatrisch ziek werd en na een half jaar stierf in het Willem Arnzthuis in Utrecht. Een andere broer suïcideerde zich in Zuid-Afrika en een zus werd met een doodswens begin 20e eeuw in een inrichting opgenomen om daar pas bijna veertig jaar later te mogen sterven. Lotgenoot was en is Vincent in zekere zin ook van iedere psychiatrische patiënt die na hem kwam en komt; geen vrolijk gegeven. Maar daarnaast zijn er gelukkig de gloedvolle ideeën die hij in zijn brieven communiceerde en die hónderden intense, kleurvolle kunstwerken.

Vincent Van Gogh blíjft aanwezig: als lotgenoot, nee… tíjdgenoot.

____________________________________

Naar het artikelenoverzicht